< M e n u |
Fiscaal jargon; begrippen geduid (sorteren: klik kolomkop) |
MvM ID | Jargon | Vindplaats | Betekenis | Bron (o.m.) | Toelichting |
---|---|---|---|---|---|
9999999 | zzzzzzz | zzzzzzzzzzzzzzzzzzz | zzzzzzzzzzz | zzzzzzzzzzz | zzzzzzzzzzz |
001J | Niet | 5,1 Wet LB 1964 e.v. | = 0% | Gezond verstand | Opm.: Een groep hoofdzakelijk niet in NL wonende personen is iets anders dan een groep niet hoofdzakelijk in NL wonende personen. |
003J | Geen (1) | = 0% | Gezond verstand | ||
004.5J | Symbolisch | 11,1,n Wet LB 1964 | ≤ 0,5 promille | HR, 9/8/2013, 12/01829 | HR: "3.1.2. (...) Ultimo 1996 bedroeg het fondsvermogen ongeveer € 1.000.000. (...) 3.1.4. (...) zijn in 2008 door begunstigden bedragen van ongeveer € 1 per persoon, in totaal circa € 500, in belanghebbende gestort. (...) 3.3.5. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de bijdrage van de werknemers in dit geval een zo geringe omvang had dat zij symbolisch was, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en (...).". |
004.6J | Gering, zo | Zie: Gering en Symbolisch. | |||
005J | Onbetekenend | Zie: Betekenende mate (1), Betekenende mate (2), Betekenende mate (3) en Betekenende mate (4). | |||
006J | Onbeduidend | Zie: Beduidend (1) en Beduidend (2). | |||
006.5J | Geen (2) | ≤ Enkele promillen | Zie: Verwaarloosbaar (1). | ||
007J | Verwaarloos- baar (1) | 229b Gemeentewet | ≤ Enkele promillen | HR, 3/11/1999, 34616 | HR: "3.1. (...)Blijkens de geschiedenis van (...) artikel 229b (...) dient bij het bepalen van de kosten van een voorziening of een dienst in beginsel zo nauwkeurig mogelijk te worden geraamd, en dient vervolgens het tarief van de heffing zodanig te worden vastgesteld dat geen winst wordt gemaakt. In overeenstemming hiermee moet worden aanvaard dat een overschrijding met enkele promillen niet tot onverbindendheid van de verordening leidt.(...).". |
008J | Gering, zeer | 6 EVRM | ≤ € 15 | HR, 24/02/2017, 16/02302 | Betreft immateriële schadevergoeding (imsv) wegens overschrijding redelijke termijn. HR: "(...) 2.3. In het geval een geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft veroorzaakt. Indien het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen, zoals in dit geval, moet worden aangenomen dat de procedure betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, indien de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15.(...)." Zie: Gering. |
008.5J | Verwaarloos- baar risico | Verordening (EU) nr. 995/2010 | = Geen reden tot zorg | EC, 12/02/2016, C(2016) 755 final | Betreft EU-houtverordening. EC: "(...) Van een verwaarloosbaar risico is slechts dan sprake wanneer de houtaanvoer, na een volledige beoordeling van zowel de algemene informatie als die over het specifiek product, geen reden tot zorg vormt. (...)." Zie: Geen (1). |
009J | Reëel risico | ≥ 1% of € 2 mln | 8c,2 Wet VPB 1969 | Wettelijke definitie; betreft eigen vermogen, passend ter dekking van risico's van geldleningen. | |
009.5J | Verwaarloos- baar (3) | < 5% | Zie: Marginaal. | ||
009.6J | Marginaal | < 5% | Praktische gids, december 2013 | Betreft Praktische gids over de toepasselijke wetgeving in de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland. "(...) Marginale activiteiten zijn permanente werkzaamheden die echter in termen van tijd en economische opbrengst verwaarloosbaar zijn. Voorgesteld wordt dat hierbij als indicatie geldt dat werkzaamheden die minder dan 5% van de normale arbeidstijd van de werknemer en/of minder dan 5% van zijn/haar totale loon uitmaken, moeten worden beschouwd als marginale werkzaamheden. (...)." |
|
010J | Aanmerkelijk | 4,d Wet LB 1964 e.v. | ≥ 5% | 4.6,a Wet IB 2001 | Wettelijke definitie van aanmerkelijk belang. |
013J | Gering | 5,7 Zesde richtlijn | = 6% | HR, 1/2/2013, 11/04457 | HR: "(...) Het betreft een situatie waarin een derde-belastingplichtige in opdracht van een gemeente een onroerend goed vervaardigt dat door die gemeente voor 94 percent wordt gebruikt ten behoeve van werkzaamheden die de gemeente als overheid verricht en voor 6 percent ten behoeve van prestaties die de gemeente als belastingplichtige verricht (5 percent belaste en 1 percent vrijgestelde prestaties). (...) Of is voor de toepassing van artikel 5, lid 7, aanhef en letter a, van de Zesde richtlijn voldoende dat de gemeente van het stadskantoor mede gebruik maakt voor (vrijgestelde) prestaties waarvoor zij belastingplichtige is, ook indien dit gebruik gering is?(...)." Zie: Gering, relatief, Gering, zeer en Gering, verhoudingsgewijs. |
014J | Beperkte duur, zeer | 2,6 Wet LB 1964 | = half uur (ongeveer) | Regelhulp Vrijwilligers | Belastingdienst: "(...) Hij is hier ongeveer een half uur mee bezig.(...) De werkzaamheden van dit verenigingslid zijn van zeer beperkte duur.(...)." Zie: Korte duur. |
014.1J | Beperkt, zeer | = 6% (ongeveer) | Opm.: Een half uur is ongeveer 6% van een werkdag van acht uur. Zie: Beperkte duur, zeer. |
||
014.7J | Korte duur | 4,2 EVRM | ≤ 4 weken | CRvB, 13/11/2018, 17/5497 PW | Betreft proefplaatsing als re-integratievoorziening; geen dwangarbeid. CRvB: "(...) 4.3.3 (...) Het college heeft hieraan als voorwaarden verbonden dat de proefplaatsing vier weken zou duren en (...) 4.6 (...) Ook was de proefplaatsing van korte duur en leidde die in beginsel tot een baan. (...) Er is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval dan ook geen sprake van een schending van het verbod op verplichte arbeid zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het EVRM.(...)" Zie: Beperkte duur, zeer, Vast en Kortstondig. |
015J | Vast (1) | 6,2,a Wet LB 1964 e.v. | ≥ 30 dagen | 6,3,a Wet LB 1964 | Betreft wettelijke definitie van een vaste inrichting. Zie: Korte duur. |
015.5J | Zijdelings | 229b Gemeentewet | < 10% | HR, 3/11/1999, 34616 | HR: "4.2. Het Hof is ervan uitgegaan dat kostenposten niet of slechts zijdelings met de riolering samenhangen, indien zij daarmee voor minder dan 10 percent samenhangen. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat als uitgangspunt moet worden genomen dat kostenposten slechts dan niet (geheel of ten dele) als kosten ter zake van de riolering kunnen worden aangemerkt, indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. Dat uitgangspunt is juist (HR 31 maart 1999, nr. 33427, LJN AA2710, BNB 1999/221, onder 5.6).(...)." |
016J | Verwaarloos- baar (2) | 15b,1,s Wet LB 1964 | < 10% | TK, 2004-2005, 29767, nr. 14 | BP2005, Nota n.a.v. het verslag: "(...) aannemelijk maken dat er geen sprake is van privé-gebruik of niet meer dan een verwaarloosbaar privé-gebruik. Indien de werkgever het (nagenoeg) zakelijk gebruik niet aannemelijk kan maken dan is de computer geheel belast." |
018J | Bijkomstig (1) | < Beduidend | CRvB, 10/1/1990, Premie 1987/71 (RSV 1990/265) | CRvB: "(...) niet gezegd kan worden dat de werkzaamheden van B. voor hem van bijkomstige aard waren. (...) de niet onbeduidende hoogte van de inkomsten die B. voor zijn werkzaamheden ontving, (...) dat hij aan deze werkzaamheden drie a vier dagen per week besteedde." | |
019J | Bijkomstig (2) | 3,1,c Wet LB 1964 | = Relatief gering | Hof A'dam, 13/2/1996, 94/2995 (VN 1996/2456, pt. 23) | Hof A'dam: "(...) sprake is van een voor hem bijkomstige werkzaamheid. Aannemelijk is dat de door F bestede tijd relatief gering is geweest terwijl voorts het bedrag, gerelateerd aan inkomsten die men in het algemeen in een jaar pleegt te genereren om te voorzien in het levensonderhoud, ook gering te achten is." |
020J | Bijkomstig (3) | 13a,2 Wet LB 1964 | ≤ 10% | Hof A'dam, 26/5/1998, P97/0456 HR, 3/3/1999, 34535 Besluit, 7/12/2005, CPP2005/2637M |
Betreft genietingsmoment. Hof A'dam: 10% is niet meer dan bijkomstig. HR: idem; het begrip heeft een relatieve en geen absolute betekenis. Besluit betreft vrije vergoeding van internet. |
020.5J | Betekenende mate (4) | 5.20, 3 Wet IB 2001, 17a Uitv.besl. IB 2001 | ≥ 10% | HR, 03/04/2015, 13/04247 | HR: "2.3.8. (...) In een geval waarin vast komt te staan dat de uit die stapeling voortvloeiende waardering van verhuurde woningen in betekenende mate, dat wil zeggen voor 10 percent of meer, hoger is dan de werkelijke waarde daarvan, wordt niet voldaan aan de doelstelling van de wetgever, te weten: correctie van de WOZ-waarde opdat rekening wordt gehouden met de waardedrukkende werking van de verhuur. (...)." |
021J | Gering, relatief | Zie: Gering en Bijkomstig (2). | |||
022J | Beduidend (1) | Zie: Bijkomstig (1). | |||
022.3J | Redelijke kans | = Waarschijnlijk | Zie: Waarschijnlijk (2). | ||
022.5J | Enigszins | Zie: Belangrijke mate, enigszins in. | |||
022.7J | Laag, relatief | < Hoog | Zie: Doorgaans (3). | ||
025J | Bijkomstig, kwalitatief | 13d,8 Wet VPB 1969 | < Kernactiviteiten (i.i.g.) | HR, 20/10/2006, 41463 | A-G: "Nu dit overeenkomt met de kernactiviteiten van G als geheel, kan bij objectieve beschouwing in redelijkheid niet worden gezegd dat de voortgezette activiteiten 'kwalitatief bijkomstig' waren in het geheel van de onderneming van H." |
026J | Bijkomstig, meer dan | 15b,1,f Wet LB 1964 | > 10% | TK, 2005-2006, 30577, nr. 3 | MvT: "Voorgesteld wordt om vergoedingen en verstrekkingen ter zake van telefoon, internet en vergelijkbare communicatiemiddelen tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen te rekenen indien er sprake is van meer dan bijkomstig zakelijk gebruik. Meer dan bijkomstig zakelijk gebruik staat voor een gebruik dat meer dan 10% zakelijk is." |
030J | Kortstondig | ≤ 6 aaneengesloten weken | Besluit, 7/12/2005, CPP2005/2433M | Betreft vaste reiskostenvergoeding. Besluit: "Van kortstondige afwezigheid is sprake als in redelijkheid een afwezigheid van maximaal zes aaneensluitende weken is te verwachten." Zie: Korte duur. |
|
032J | Tijdelijk | 31a,2,e Wet LB 1964 | ≤ 5 jaren | 31a,7 Wett LB 1964 | Wettelijke definitie. |
033J | Binnenkort | 8 Wet IB 1964 | < 6 jaren | EK, 1985-1986, 18915, nr. 82b | Betreft landbouwvrijstelling (tot 2001) MvA: "Het begrip 'binnenkort' in genoemde wetsbepaling heeft inhoud gekregen in de fiscale praktijk. De rechtspraak ter zake is derhalve een leidraad voor de toepassing van dat begrip bij bestemmingswijzigingen. Uit de rechtspraak komt naar voren dat de periode om nog te kunnen spreken van 'binnenkort' korter moet zijn dan zes jaren." |
034J | Gering, verhoudings- gewijs | < 15% | Zie: Gering, Betekenende mate (3) en Gering, relatief. | ||
035J | Belangrijke mate, enigszins in | 15b Wet VPB 1969 | ≥ 15% | HR, 8/2/2002, 36358 | Betreft conclusie A-G, n.a.v. Kamerstukken II, 1995/96, 24 696, nr. 3, blz. 38. |
036J | Betekenende mate (3) | 229b Gemeentewet | ≥ 15% | Hof A'dam, 8/4/2010, 08/00995 | Hof A'dam: "6.8. (...) Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de lastenraming in betekenende mate uitgaat boven de geraamde lasten. In het onderhavige geval overschrijden de geraamde baten de geraamde lasten met een bedrag van € 3.167 (namelijk ruim 15% van de geraamde lasten) zodat naar het oordeel van het Hof geen sprake is van een verhoudingsgewijze geringe overschrijding.(...).". |
041J | Aanzienlijk (4), niet | 25,6 en 27e,a AWR | ≤ € 810 | Hof Arnhem-Leeuwarden, 22/1/2019, 18/00460 en 18/00461 | Betreft vereiste aangifte Hof: "1. (...) Een verschuldigde IB/PVV van, zoals de Inspecteur voorstaat, € 810 is naar het oordeel van het Hof op zichzelf beschouwd niet aanzienlijk. (...)" |
042J | Aanzienlijk (2), relatief | 25,6 en 27e,a AWR | ≥ 19% | HR, 24/4/2015, 14/04104 | Betreft vereiste aangifte HR: "2.3.3. (...) Dit is € 2101 oftewel 19 percent meer dan de op grond van de aangifte verschuldigde belasting. Dit is niet alleen verhoudingsgewijs, maar ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk. (...)" |
043J | Aanzienlijk (3) | 25,6 en 27e,a AWR | ≥ € 2101 | HR, 24/4/2015, 14/04104 | Betreft vereiste aangifte HR: "2.3.3. (...) Dit is € 2101 oftewel 19 percent meer dan de op grond van de aangifte verschuldigde belasting. Dit is niet alleen verhoudingsgewijs, maar ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk. (...)" |
045J | Betekenende mate (1) | - 229b Gemeentewet |
≥ 25% | Hof Den Haag, 29/10/1991, 91/1470 (VN 1992/598, pt. 11) Hof Arnhem, 16/2/2010, 09/00193 |
Hof Den Haag: "6.2. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van "in betekenende mate" indien de verkopen op de vrije markt ten minste 25% bedragen van de totale verkopen (...). 6.3. (...) is het Hof van oordeel dat dit standpunt van partijen juridisch niet onjuist is (...)." Hof Arnhem: "4.11. (...) Ervan uitgaande dat sprake is van “in betekenende mate” indien de geraamde baten met ten minste 25% de geraamde lasten overstijgen, komt het Hof tot de conclusie dat (...)." |
046J | Substantieel (1) | ≥ 25% | Verordening (EG) Nr. 987/2009, 16-09-2009 | EU: "In het kader van een algemene beoordeling geldt een aandeel van minder dan 25 % voor de bovengenoemde criteria als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht." Zie: Substantieel (2). |
|
050J | Incidenteel | Zie: Betekenende mate (2), Doorgaans (4) en Incidenteel en ondergeschikt. | |||
051J | Ondergeschikt | Zie: Incidenteel en ondergeschikt, Overheersend en Dominant. | |||
052J | Incidenteel en ondergeschikt | 32,2 URLB 2001 | = 1 keer per kwartaal / 4 keer per jaar (i.i.g.) | TK, 2006-2007, 30577, nr. 7 | Paarse Krokodil, Nota n.a.v. het verslag: "De Orde gaat in op de vraag wat hier onder incidenteel en ondergeschikt moet worden verstaan en noemt daarbij als voorbeeld het een keer per kwartaal bezoeken van een theater. Naar aanleiding daarvan merk ik op dat het begrip incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen niet exact kan worden gedefinieerd. Een gezamenlijk bezoek per kwartaal aan een theater valt er onder, maar de seizoenkaarten voor het theater niet." |
055J | Betekenende mate (2) | > Incidenteel | Hof A'dam, 18/7/2001, 99/03713 | Hof A'dam: "(...) acht het Hof, minst genomen, aannemelijk dat tijdens daluren niet alleen door belanghebbende, maar daarnaast ook in betekenende mate - dat wil zeggen anders dan incidenteel - door één of meer werknemers werkzaamheden werden verricht." | |
060J | Aanmerkelijk lager | 33,3 URLB 2001 | > 25% | HR, 26/5/1999, 34230 | Betreft besparing, die aanmerkelijk lager moet zijn dan huurwaarde voor beschikking. |
061J | Aanvullend | Zie: Vooropstaand, Primair en Dominant. | |||
065J | Aanzienlijk (1), relatief | 19 Wet LB 1964 | = 30% | Besluit, 26/11/2001, CPP2001/2970M (vervallen) | De 30%-marge is (was?) de invulling van "aanzienlijk lager" in art. 19 Wet LB 1964 |
070J | Belangrijke mate | 12a Wet LB 1964 30,1,b URLB 2001 16 AWR |
≥ 30% | HR, 17/9/2004, 38378 TK, 2009-2010, 32129, nr. 8 |
Betreft gebruikelijkloonregeling, werkruimteregeling en navordering. OFM 2010,NnavV: "(...) Indien die aanslag of beschikking namelijk in belangrijke mate, ofwel 30%, afwijkt van de werkelijke belastingschuld moet de belastingplichtige in alle redelijkheid de onjuistheid hebben kunnen begrijpen.(...)" |
075J | Over het algemeen | Zie: Doorgaans (1). | |||
078J | Beduidend (2) | Tabel I, b.19 Wet OB 1968 | > 50% | TK, 2008-2009, 31301, nr. 19 | Toelichting: "Conform de hiervoor genoemde richtlijn strekt het verlaagde BTW-tarief zich uit tot alle isolatiewerkzaamheden, met uitzondering van materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de waarde van de verstrekte diensten. Onder «beduidend» dient hier te worden verstaan meer dan 50%." |
080J | Doorgaans (1) | 2b UBLB 2c UBLB |
= Over het algemeen | Resolutie, 19/12/1973, B73/27416 | Betreft thuiswerkers en gelijkgestelden. Resolutie: Doorgaans ziet op het te verwachten arbeidspatroon. "(...) de beloning, die over het algemeen (doorgaans) ten minste de vereiste hoogte moet hebben." |
085J | Doorgaans (2) | 2b UBLB 2c UBLB |
> 50% | Hof Den Haag 9/2/1995, Infob 95/314 | Betreft thuiswerkers en gelijkgestelden. Hof Den Haag: Fictieve dienstbetrekking voor een thuiswerker die meer dan de helft van de gewerkte maanden ten minste 2/5 van het minimumloon ontvangt. |
090J | In de regel | Zie: Doorgaans (3). | |||
095J | Doorgaans (3) | 14a Wet LB 1964 | = In de regel | Hof A'dam, 8/2/2005, 04/01325 | Betreft de zeedagenaftrek. Hof A'dam: "Nu voorts de parlementaire geschiedenis ter zake van de betekenis van het begrip 'doorgaans' weinig aanknopingspunten biedt, staat het Hof in de eerste plaats een grammaticale uitleg van dat begrip voor. 'Doorgaans' dient dan te worden opgevat als 'in de regel', zonder dat aan de aard van de daarbij in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden een meer specifieke inhoud wordt verlangd." |
100J | Doorgaans (4) | 14a Wet LB 1964 | > Incidenteel | Hof A'dam, 8/2/2005, 04/01325 | Betreft de zeedagenaftrek. Hof A'dam: "Mede gelet op het hoge aantal zeedagen in 1999, komt het het Hof voorts aannemelijk voor dat het relatief lage aantal zeedagen in 2002 incidenteel is." |
105J | Grotendeels | 11,1,t Wet LB 1964 e.v. | > 50% | TK, 2005-2006, 30306, nr. 3 | BP2006, MvT: "De faciliteit is alleen van toepassing als de kosten van het speciaal georganiseerd tijdelijk vervoer door het bedrijfsleven en de overheid gezamenlijk wordt gedragen, waarbij de overheid vanwege de dreigende verkeershinder door wegwerkzaamheden meer dan de helft voor haar rekening neemt." Zie: Overwegend. |
110J | Overwegend | > 50% | NvT, op 9 UBLB | NvT: "(...) overwegend (in de fiscale terminologie: grotendeels, voor meer dan 50%) (...)" | |
115J | Voornamelijk | > 50% | Besluit, 19/12/2002, DGB02/7237 | Besluit: "Onder de vaste term voornamelijk wordt, zoals gebruikelijk in de fiscale regelgeving, verstaan meer dan 50%." | |
117J | Overheersend | > Ondergeschikt | Zie: Dominant en Ondergeschikt. | ||
118J | Dominant | 220e Gemeentewet | > Ondergeschikt | Rb Utrecht, 7/12/2009, SBR 08/3375 | Rb: "2.7 (...) Ten aanzien van de kamers van de bewoners kan hieruit worden afgeleid dat de woonfunctie niet overheerst, maar ondergeschikt is aan de ook in de kamers dominante verpleegfunctie. (...) Op basis van deze feitelijke situatie is de rechtbank van oordeel dat het bieden van medische zorg en verpleging ook voor wat betreft de kamers van de bewoners en, in het verlengde daarvan, ook de huiskamers de hoofdfunctie vormt. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar de website van [naam verpleeghuis], waaruit volgens eiseres valt af te leiden dat wonen en leven voorop staan en verzorging en verpleging aanvullend zijn. De rechtbank acht het begrijpelijk en voor de hand liggen dat op de toch ook wervend bedoelde - website de nadruk wordt gelegd op het leven en wonen in [naam verpleeghuis]. Dit brengt echter niet mee dat de kamers van de bewoners en de huiskamers primair een woonfunctie hebben en verzorging en verpleging daarbij aanvullend zijn. 2.8 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de kamers van de bewoners en de huiskamers geen gedeelten zijn die in hoofdzaak dienen tot woning dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.(...) " |
120J | Substantieel (2) | = 65% (i.i.g.) | HR, 12/3/1997, 29479 | HR: "3.4. Vaststaat dat belanghebbende in 1990 op de beurs 3.758.478 eigen aandelen kocht en 2.463.752 eigen aandelen verkocht. (...) Een en ander laat geen andere conclusie toe dan dat in 1990 in ieder geval een substantieel deel van de ingekochte aandelen door belanghebbende slechts als tijdelijke belegging is aangehouden." Zie: Substantieel (1). |
|
125J | Doorgaans (5) | ≥ 70% | Besluit, 7/12/2005, CPP2005/2433M | Besluit: "Een werknemer reist op jaarbasis doorgaans naar een vaste arbeidsplaats als hij de desbetreffende arbeidsplaats op jaarbasis vermoedelijk ten minste 36 weken (70% x 52 weken) zal bezoeken." | |
130J | Duidelijk belangrijker | Zie: In hoofdzaak en Duidelijk hoger. | |||
133J | Vooropstaand | > Aanvullend | Zie: Dominant. | ||
134J | Primair | > Aanvullend | Zie: Dominant. | ||
135J | In hoofdzaak | 17a,1,c Wet LB 1964 | = Duidelijk belangrijker | Hof A'dam, 25/2/2005, 04/01983 | Hof A'dam: "7. Verstrekkingen hebben een in hoofdzaak ideële waarde, indien voor de werknemer die de verstrekking geniet deze ideële waarde duidelijk belangrijker is dan de gebruikswaarde of de bij eventuele verkoop te verwachten opbrengst (geldwaarde)." |
140J | Hoofdzakelijk | 5b Wet LB 1964 e.v. | ≥ 70% | HR, 30/9/2005, 38702 | A-G: "IV. Er bestaat twijfel of de Staatssecretaris met het geciteerde besluit correct uitvoering gaf aan de beschikking van de Commissie, die de eis stelt dat de sleepwerkzaamheden hoofdzakelijk (dat betekent naar Nederlandse maatstaven 70%) op zee worden uitgevoerd, terwijl de Staatssecretaris het criterium "voornamelijk" (50%) hanteert." |
142J | Hoog | > Relatief laag | Zie: Doorgaans (3). | ||
145J | Min of meer | ≥ 70% | Besluit, 7/12/2005, CPP2005/2433M | Besluit: "Om de praktijk tegemoet te komen is er een praktische regeling op grond waarvan voor werknemers met een min of meer vaste arbeidsplaats eenvoudig een vaste vrije vergoeding voor reiskosten kan worden vastgesteld (...)" Zie: Doorgaans (5). |
|
148J | Doorgaans (6) | 4,2 Awir | ≥ 75% | Verordening (EG) Nr. 987/2009, 16-09-2009 | Betreft toeslagen RvS: "4.2. (...) Zoals de Afdeling in de uitspraak van 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3626) heeft overwogen, wordt met het woord "doorgaans" bedoeld dat uit de afspraken moet blijken dat volgens een vast patroon zowel de ene ouder als de andere ouder ten minste drie dagen per week de zorg over het kind heeft. De toevoeging "doorgaans" duidt er op dat daaraan niet in alle weken van het jaar, bijvoorbeeld in de vakanties en bij bijzondere gebeurtenissen, behoeft te worden voldaan, maar wel dat deze afwijkingen niet substantieel mogen zijn. (...)" |
150J | Nagenoeg | 2,4 Wet LB 1964 e.v. | ≥ 90% | HR, 20/10/2006, 41463 | A-G: "(...) acht het hof in ieder geval onjuist de stelling van belanghebbende dat het Besluit geacht moet worden het in een geval van voortzetting te verwaarlozen gedeelte op 10% te hebben willen stellen. Een dergelijk percentage wordt in het Besluit niet genoemd en kan ook niet redelijkerwijs daarin gelezen worden, te minder nu de uitdrukkingen 'nagenoeg geheel' en 'nagenoeg uitsluitend', waarop belanghebbende zich in dit verband beroept, in het Besluit niet voorkomen." Zie: Zijdelings. |
152J | Waarschijnlijk (1) | 8 Wet IB 1964 | < Volstrekt zeker | EK, 1985-1986, 18915, nr. 82b | Betreft landbouwvrijstelling (tot 2001) MvA: "Dezelfde leden vragen in dit verband hoe het begrip 'waarschijnlijk' geïnterpreteerd moet worden. Ten antwoord op die vraag wil ik opmerken, dat ook dat begrip door de rechtspraak inzake meergenoemd artikel 31, derde lid, inhoud heeft gekregen en wel in die zin, dat het erom gaat wat op het moment van de verkooptransactie kon worden verwacht; een volstrekte zekerheid is niet vereist." |
153J | Waarschijnlijk (2) | 8 Wet IB 1964 | < Absoluut vast | EK, 1985-1986, 18915, nr. 82b | Betreft landbouwvrijstelling (tot 2001) MvA: "Met de term 'waarschijnlijk' wordt - zoals in die memorie is gesteld - beoogd duidelijk te maken, dat het niet alleen gaat om situaties waarbij op het moment van vervreemding van de grond door een agrariër al vaststaat dat deze binnenkort een andere bestemming zal krijgen, maar ook om situaties waarbij dat niet absoluut vaststaat, maar er wel een redelijke kans op is." |
154J | Waarschijnlijk (3) | 8 Wet IB 1964 | ≥ Redelijke kans | EK, 1985-1986, 18915, nr. 82b | Betreft landbouwvrijstelling (tot 2001) Zie: Waarschijnlijk (2). |
155J | Geheel | 2,3 Wet LB 1964 e.v. | = 100% | Gezond verstand | |
160J | Uitsluitend | 2,6 Wet LB 1964 e.v. | = 100% | Gezond verstand | |
165J | Vast (2) | 2,6 Wet LB 1964 e.v. | = 100% | Gezond verstand | Zie: Min of meer. |
166J | Zeker | = 100% | Gezond verstand | Zie: Waarschijnlijk (1). | |
167J | Volstrekt | = 100% | Gezond verstand | Zie: Waarschijnlijk (1). | |
168J | Absoluut | = 100% | Gezond verstand | Zie: Waarschijnlijk (2). | |
173J | Excessief (1) | 17,3 Wet WOZ | ≥ 110% | HR, 29/01/2016, 14/06530 | HR: "(...) Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat van excessieve gebruikskosten sprake is als de gebruikskosten van een onroerende zaak in betekenende mate uitgaan boven de gebruikskosten van vergelijkbare objecten met dezelfde aard en bestemming." Zie: Excessief (2). |
175J | Excessief (2) | 3.20 Wet IB 2001 13bis Wet LB 1964 |
= duidelijk hoger | TK, 2008-2009, 31704, nr. 3 | BP2009, MvT: "De woorden “ten minste” zijn belangrijk, omdat daarmee excessief privégenot kan worden belast. (...) Er zal slechts sprake zijn van een hogere vaststelling van de onttrekking indien de onttrekking duidelijk hoger is dan 25% van de waarde van de auto." Zie: Excessief (1). |
176J | Duidelijk hoger | 3.20 Wet IB 2001 13bis Wet LB 1964 |
≥ 120% (i.i.g.) | TK, 2008-2009, 31704, nr. 3 | BP2009, MvT: "De op jaarbasis in aanmerking te nemen onttrekking van een auto met een zeer lage CO2-uitstoot met een waarde van € 25 000 waarbij de werkelijke waarde van het gebruik voor privédoeleinden € 7 500 bedraagt, hetgeen hoger is dan € 6 250 (25% van € 25 000), wordt dus niet langer gesteld op 14% van € 25 000 = € 3 500, maar op € 7 500 -/- € 11% van € 25 000 = € 4 750." Zie: Excessief en Duidelijk belangrijker. |