Overgangsrecht
bij geen gebruik werkkostenregeling (tekst 2013)
Wet op de loonbelasting 1964
(oud)
Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 (oud)
Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001
(artikelen zoals deze van
toepassing zijn indien geen gebruik wordt gemaakt
van de werkkostenregeling
conform artikel 39c Wet LB 1964)
Hoofdstuk II
Voorwerp van de belasting
Art. 10 – 1. Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere
dienstbetrekking wordt genoten.
[...]
Art. 11 – 1. Tot het loon
behoren niet:
a. vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen
niet als beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in of krachtens hoofdstuk IIA gestelde normeringen en beperkingen
(vrije vergoedingen);
b. verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen
niet als beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in of krachtens de artikelen 17 en 17a gestelde normeringen en
beperkingen (vrije verstrekkingen);
[...]
i. aanspraken op de in onderdeel m bedoelde uitkeringen en
verstrekkingen alsmede vergoedingen en verstrekkingen ter
zake van op de werknemer drukkende uitgaven voor het volgen van een
opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en
woning;
[...]
m. eenmalige uitkeringen en verstrekkingen ter
zake van overlijden van de werknemer, zijn partner in het kalenderjaar
of in het voorafgaande kalenderjaar – in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, of zijn kinderen en pleegkinderen, voorzover
deze uitkeringen en verstrekkingen niet overtreffen driemaal het loon over een
maand bepaald met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels;
[...]
q. verstrekking en terbeschikkingstelling van inrichting van de
werkruimte in de woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of
woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de
Huisvestingswet, de aanhorigheden daaronder begrepen,
van de werknemer, alsmede vergoedingen van de kosten daarvan, voorzover de waarde in het economische verkeer van die
inrichting in het kalenderjaar en de vier voorafgaande kalenderjaren niet meer
bedraagt dan € 1815 en niet aannemelijk is dat zij niet mede dient ter
vervulling van de dienstbetrekking, mits:
1° de werknemer krachtens een
schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige dan wel van de
inhoudingsplichtige en een of meer andere inhoudingsplichtigen ten minste
eenmaal per week, gedurende de gebruikelijke werktijd en zonder dat tevens
wordt gereisd naar een buiten de woning gelegen arbeidsplaats, in die
werkruimte ter vervulling van de dienstbetrekking pleegt te werken met behulp
van telematica; en
2° de inrichting voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden; een en ander met inachtneming van bij ministeriële regeling te
stellen nadere regels;
[...]
s. hetgeen wordt genoten ter zake van
het verrichten van arbeid in de onderneming van de partner van de werknemer,
indien bij het bepalen van de winst uit die onderneming de kosten en lasten die
verband houden met de vergoeding voor die arbeid op grond van artikel 3.16,
vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet in aftrek komen;
t. verstrekking van een recht op vervoer voorzover
dat betrekking heeft op een periode van ten hoogste 24 maanden, waarbij de
financiering van dit vervoer vanwege dreigende verkeershinder door
wegwerkzaamheden grotendeels door de overheid plaatsvindt.
[...]
Art. 13 – 1. Niet in geld
genoten loon wordt in aanmerking genomen naar de waarde die daaraan in het economische
verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voorzover
de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde
wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing.
– 2. De waarde van
regelmatig bij het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of
daarmee overeenkomende aanspraken uit een publiekrechtelijke regeling of
collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesteld op 99% van de nominale waarde van
die bonnen of aanspraken.
– 3. Bij ministeriële
regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waardering
van aanspraken en van ander niet in geld genoten loon.
– 4. De ingevolge de
vorige leden in aanmerking te nemen waarde wordt verminderd met het bedrag dat
de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met
dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt
gesteld.
[...]
Art. 13a – 1. Loon wordt
beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:
a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer
wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel
b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.
– 2. Indien is
overeengekomen dat het loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk
tijdstip zal worden genoten, wordt daarmee voor de toepassing van het eerste
lid geen rekening gehouden.
– 3. Voor zover ingevolge
artikel 12a het loon hoger is dan het werkelijk genoten loon, wordt het
meerdere geacht te zijn genoten bij het einde van het
kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het
kalenderjaar eindigt.
– 4. In afwijking van het
eerste lid wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de laatste
aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het
kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het
kalenderjaar eindigt.
[...]
Hoofdstuk IIA
Vrije vergoedingen en
verstrekkingen
Art. 15 Vrije vergoedingen
zijn:
a. vergoedingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten,
lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;
b. andere vergoedingen voorzover zij
naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden
ervaren.
Art. 15a – 1. Tot de vrije
vergoedingen behoren vergoedingen, in redelijkheid, ter zake
van:
a. consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een
maaltijd;
ab. maaltijden
waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is;
b. werkkleding, met inachtneming van bij ministeriële regeling te
stellen regels;
c. vakliteratuur;
d. representatie ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten, giften,
relatiegeschenken en vermaak, met inbegrip van de desbetreffende reizen en het
desbetreffende verblijf;
e. cursussen, congressen, seminars, symposia, excursies,
studiereizen en dergelijke ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking,
met inbegrip van de desbetreffende reizen en het desbetreffende verblijf;
f. muziekinstrumenten, geluidsapparatuur, gereedschap,
tekstverwerkers, schrijf- en rekenmachines, alsmede beeldapparatuur, ter
behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, met dien verstande dat bij
zaken met een kostprijs van € 450 of meer met een meerjarig belang de
afschrijving in aanmerking wordt genomen;
g. verhuizing, ter omvang van de kosten van het overbrengen van de
inboedel vermeerderd met € 7750;
h. op de werknemer drukkende uitgaven voor het volgen van een
opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en
woning, met uitzondering van vergoedingen:
1° die verband houden met een werk- of studeerruimte, daaronder
begrepen de inrichting;
2° van binnenlandse reizen voorzover de
vergoeding meer bedraagt dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b,
eerste lid, onderdeel a;
i. een recht op reizen per openbaar vervoer dat niet is beperkt
tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, voorzover is voldaan aan bij ministeriële regeling te
stellen regels die mede betrekking kunnen hebben op de mate waarin de
vergoeding tot de vrije vergoedingen behoort;
j. extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van
herkomst (extraterritoriale kosten), met dien verstande dat voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in
dienstbetrekking worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden, onder daarbij
te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van kosten van verblijf buiten
het land van herkomst – voor van buiten Nederland in dienstbetrekking genomen
werknemers gedurende ten hoogste acht jaar – ten minste worden beschouwd als
vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30 percent van het
loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten, alsmede tot het bedrag van
de daarbij aan te wijzen schoolgelden;
k. vaste vergoedingen ter zake van
vervoer die worden berekend op basis van ten hoogste € 0,19 per kilometer alsof
de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats
van werkzaamheden reist ingeval hij dat in het kalenderjaar ten minste op 128
dagen doet en het vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig of schip of
met een ter beschikking gesteld vervoermiddel.
– 2. Voor de toepassing
van het eerste lid, onderdeel g, kunnen bij ministeriële regeling regels worden
gesteld voor de beoordeling of in ieder geval in het kader van de
dienstbetrekking wordt verhuisd.
– 3. Als uitgaven voor het
volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit
werk en woning worden mede aangemerkt uitgaven ter zake
van het volgen van een procedure erkenning verworven competenties waarvoor een
verklaring is afgegeven door een bij ministeriële regeling aangewezen
instantie.
– 4. Indien de werknemer
een vierdaagse, een driedaagse, een tweedaagse of een eendaagse werkweek heeft,
worden de in het eerste lid, onderdeel k, genoemde aantallen dagen vermenigvuldigd
met viervijfde, drievijfde,
tweevijfde of een vijfde.
– 5. De in het eerste lid,
onderdeel k, genoemde aantallen dagen worden naar tijdsgelang herrekend bij:
a. de aanvang of het einde van de dienstbetrekking in de loop van
het kalenderjaar;
b. een wijziging van de reisafstand in de loop van het
kalenderjaar;
c. het beëindigen van de vergoeding in de loop van het
kalenderjaar.
Art. 15b – 1. Tot de vrije
vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van:
a. vervoer, waar onder woon-werkverkeer, indien dat vervoer niet
plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of ter beschikking gesteld
vervoermiddel, voorzover de vergoeding meer bedraagt
dan € 0,19 per kilometer en geen vergoeding is als bedoeld in artikel 15a,
eerste lid, onderdeel k;
b. [vervallen;]
c. onregelmatige diensten of continudiensten voorzover
de vergoeding betrekking heeft op voeding, verlichting of verwarming in de
woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet, de aanhorigheden
daaronder begrepen, van de werknemer;
d. bedrijfsfitness voorzover niet is
voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;
e. werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning,
een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet, de aanhorigheden
daaronder begrepen, van de werknemer voorzover niet
is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels die mede betrekking
hebben op de mate waarin de vergoeding niet tot de vrije vergoedingen wordt
gerekend;
f. telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen – niet
zijnde computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur –, tenzij
het zakelijke gebruik van meer dan bijkomstig belang is;
g. persoonlijke verzorging, behoudens voorzover
de werknemer optreedt als artiest of presentator of als beroep een tak van
sport beoefent;
h. personeelsverenigingen en dergelijke, behoudens voorzover is voldaan aan bij ministeriële regeling te
stellen regels;
ha. personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke
incidentele voorzieningen, behoudens voor zover de vergoeding, volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels, niet meer bedraagt dan € 454 per jaar;
i. huisvesting buiten de woonplaats ter zake
van de dienstbetrekking voorzover de vergoeding
betrekking heeft op een periode van meer dan twee jaar;
j. [vervallen;]
k. verschuldigde loonbelasting en bij wijze van inhouding
verschuldigde premie voor de volksverzekeringen;
l. premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en
strekking overeenkomen met de volksverzekeringen, tenzij de werknemer
premieplichtig is voor de volksverzekeringen;
m. geldboeten opgelegd door een Nederlandse strafrechter en
geldsommen betaald aan de Staat ter voorkoming van strafvervolging in Nederland
of ter voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot
gratieverlening, bestuurlijke boeten, geldboeten opgelegd op basis van bij wet
geregeld tuchtrecht, alsmede kosten als bedoeld in artikel 234, zesde lid, en
artikel 235, derde lid, van de Gemeentewet;
n. misdrijven ter zake waarvan de
werknemer door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is
veroordeeld, daaronder begrepen de misdrijven die zijn betrokken bij de
bepaling van de hoogte van de opgelegde straf en ter zake waarvan het Openbaar
Ministerie heeft verklaard te zullen afzien van vervolging;
o. misdrijven terzake waarvan jegens de
werknemer een onherroepelijk geworden strafbeschikking is uitgevaardigd;
p. wapens en munitie, tenzij terzake
een erkenning, consent, vergunning, verlof of ontheffing is verleend krachtens de Wet wapens en munitie;
q. dieren die krachtens een
onherroepelijke bestuursrechtelijke of strafrechtelijke maatregel in verband
met agressie niet mogen worden gehouden;
r. parkeergelegenheid in of bij de woning van de werknemer;
s. computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur,
die
1° niet geheel en niet nagenoeg geheel
zakelijk gebruikt worden, of
2° geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden en een
meerjarig belang en een kostprijs hebben van € 450 of meer, voorzover
de vergoeding meer bedraagt dan de afschrijving.
– 2. Onder bestuurlijke
boete als bedoeld in het eerste lid, onderdeel m, wordt verstaan: een door een
Nederlands bestuursorgaan bij beschikking opgelegde onvoorwaardelijke
verplichting tot betaling van een geldsom, die is gericht op bestraffing van
degene die een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens
enig wettelijk voorschrift pleegt of medepleegt.
– 3. Vrije vergoedingen
die verband houden met een misdrijf, verstrekt in het loontijdvak waarin de
veroordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel o, onherroepelijk is
geworden dan wel waarin aan de gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel p, is voldaan, in de daaraan voorafgaande loontijdvakken van het jaar
of in een of meer van de vijf daaraan voorafgaande jaren, worden op het
tijdstip van het onherroepelijk worden van de veroordeling, respectievelijk het
voldoen aan de gestelde voorwaarden, alsnog als loon in aanmerking genomen.
Art. 15c Bij ministeriële
regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
kan, in aanvulling op de artikelen 15, 15a en 15b en zonodig
onder het aanbrengen van normeringen en beperkingen en het stellen van
voorwaarden, worden bepaald dat vergoedingen die naar algemene maatschappelijke
opvattingen wel of niet als loon worden ervaren, niet respectievelijk
wel tot de vrije vergoedingen worden gerekend.
Art. 15d Vaste vergoedingen
zijn geen vrije vergoedingen voorzover niet is
voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels.
Art. 16 [Vervallen per
01-01-2004]
Art. 16a – 1. Als vrije vergoeding ter zake van vervoer per
openbaar vervoer geldt ten hoogste de prijs van de vervoerbewijzen voor de per
openbaar vervoer afgelegde reisafstand, indien de werknemer de vervoerbewijzen
ter vergoeding overhandigt of zo spoedig mogelijk zal overhandigen aan de
inhoudingsplichtige.
– 2. Het eerste lid is
slechts van toepassing indien de vergoeding niet als vrije vergoeding in de zin
van artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking wordt genomen.
Art. 16b [Vervallen per
01-01-2004]
Art. 16c [Vervallen per
01-01-2007]
Art. 17 – 1. Vrije
verstrekkingen zijn:
a. verstrekkingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot voorkoming van kosten,
lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;
b. andere verstrekkingen voorzover zij
naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden
ervaren.
– 2. De artikelen 15a tot
en met 16a zijn van overeenkomstige toepassing.
– 3. Bijdragen van de
werknemer aan vrije verstrekkingen komen niet in mindering op het loon.
Art. 17a – 1. Tot de vrije
verstrekkingen behoren verstrekkingen, in redelijkheid, ter
zake van:
a. woon-werkverkeer in de vorm van vervoer vanwege de
inhoudingsplichtige;
b. parkeergelegenheid bij de plaats van werkzaamheden, indien er
geen sprake is van parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 15b, eerste lid,
onderdeel r;
c. algemeen erkende feestdagen en het Sint-Nicolaasfeest, een
jubileum van de inhoudingsplichtige, een dienstjubileum en de verjaardag en andere
persoonlijke feestdagen van de werknemer, alsmede het einde van de
dienstbetrekking, mits de verstrekkingen een in hoofdzaak ideële waarde hebben.
– 2. Onder vervoer vanwege
de inhoudingsplichtige wordt verstaan:
1° vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;
2° het reizen per openbaar vervoer op basis van door de
inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte
plaatsbewijzen.
[...]
Hoofdstuk V
Heffing van de
inhoudingsplichtige
Afdeling 1
Eindheffing
Art. 31 – 1.
Eindheffingsbestanddelen zijn:
a. bestanddelen van het loon waarover de verschuldigde belasting
niet is betaald, in verband waarmee aan de inhoudingsplichtige een
naheffingsaanslag wordt opgelegd, behoudens:
1° voor zover de inhoudingsplichtige verzoekt, onder verstrekking
van de daartoe noodzakelijke gegevens, dat loon niet als
eindheffingsbestanddeel aan te merken;
2° voor zover de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking
besluit, mede gelet op het aantal werknemers waarop de naheffingsaanslag
betrekking heeft, dat loon niet als eindheffingsbestanddeel aan te merken omdat
het wel toepassen daarvan zou kunnen leiden tot een zodanig grote afwijking van
het belastbare inkomen in de zin van de inkomstenbelasting van een of meer
werknemers dat voor hen aanzienlijke voordelen zouden kunnen ontstaan in het
kader van de heffing van die belasting, van andere belastingen of in het kader
van andere wettelijke regelingen;
b. bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur
aangewezen bestanddelen van het loon met betrekking waartoe in verband met
tijdelijke knelpunten van ernstige aard in redelijkheid niet kan worden gevergd
dat de hoofdstukken I tot en met IV ten volle worden toegepast;
c. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen van
publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van
de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke
regelingen;
d. bij ministeriële regeling aan te wijzen loon dat bezwaarlijk
kan worden geïndividualiseerd, behoudens ingeval de inhoudingsplichtige
verzoekt dat loon niet als eindheffingsbestanddeel aan te merken;
e. loon met een bestemmingskarakter, zijnde:
1° loon ter zake van een voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde bestelauto als
bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992, indien in verband met de aard van het werk die bestelauto
doorlopend afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers en in
verband daarmee bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die bestelauto
voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld. In
afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens
deze wet bepaalde, bedraagt de verschuldigde belasting over dit loon op
jaarbasis per bestelauto € 300. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot dit loon;
2° overig bij ministeriële regeling aan te wijzen loon;
f. [vervallen per 1 januari 2012];
g. geschenken in natura voorzover de
waarde in het economische verkeer daarvan in het kalenderjaar niet meer
bedraagt dan € 70, behoudens ingeval de inhoudingsplichtige verzoekt dat loon
niet als eindheffingsbestanddeel aan te merken;
h. niet tot de hiervoren
opgenomen bestanddelen van het loon behorende vergoedingen of verstrekkingen voorzover deze niet meer belopen dan een bij ministeriële
regeling te bepalen bedrag per maand, behoudens ingeval de inhoudingsplichtige
verzoekt dat loon niet als eindheffingsbestanddeel aan te merken.
– 2. Met betrekking tot
eindheffingsbestanddelen wordt het bedrag van de verschuldigde belasting
bepaald:
a. aan de hand van het tabeltarief met betrekking tot:
1° aan naheffing onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a;
2° eindheffingsbestanddelen bij tijdelijke knelpunten van ernstige
aard als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
3° aangewezen uitkeringen van publiekrechtelijke aard als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel c;
4° aangewezen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel d, voor zover, te bepalen bij ministeriële regeling, de
verwerving van het loon niet het gebruik of verbruik daarvan meebrengt;
5° eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel h;
b. aan de hand van het enkelvoudige tarief met betrekking tot:
1° aangewezen niet in geld
genoten eindheffingsbestanddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d,
andere dan bedoeld in onderdeel a, onder 4°;
2° aangewezen eindheffingsbestanddelen met een bestemmingskarakter
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 2°;
c. naar een tarief van:
[vervallen per 1 januari
2012];
2° 20 percent, met betrekking tot geschenken in natura als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel g.
– 3. Ingeval het
tabeltarief van toepassing is wordt het bedrag van de verschuldigde belasting
bepaald aan de hand van de voor het tijdvak waarin het loon is genoten geldende
in artikel 20a, eerste lid, of artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel,
waarbij wordt aangenomen dat de inhoudingsplichtige de belasting en de bij
reguliere betaling van het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage,
bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet alsmede de daarover
verschuldigde premie ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale
verzekeringen aanstonds voor zijn rekening heeft
genomen. Voor zover bij naheffing als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
aannemelijk is dat de inhoudingsplichtige de belasting en premie pas later voor
zijn rekening heeft genomen, wordt in zoverre van de eerste volzin afgeweken en
wordt het voor de werknemer ontstane voordeel in de eindheffing betrokken naar
de situatie ten tijde van het voor rekening van de inhoudingsplichtige nemen,
doch uiterlijk ten tijde van de naheffing.
– 4. Ingeval het
enkelvoudige tarief van toepassing is wordt het bedrag van de verschuldigde
belasting bepaald aan de hand van de voor het tijdvak waarin het loon is
genoten geldende in artikel 20a, eerste lid, of artikel 20b, eerste lid,
opgenomen tabel, waarbij buiten beschouwing wordt gelaten dat de belasting
wordt geheven van de inhoudingsplichtige.
– 5. In afwijking in
zoverre van artikel 13, eerste lid, en onverminderd de toepassing van artikel
13, tweede lid, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel h, en
het tweede lid, onderdeel a, onder 5°, de waarde van niet in geld genoten loon
gesteld op de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden
toegekend.
– 6. Voor
de bepaling van de verschuldigde belasting op de voet van het enkelvoudige
tarief wordt, voor zover artikel 13, tweede lid, geen toepassing heeft
gevonden, in afwijking in zoverre van artikel 13, eerste lid, niet in geld
genoten loon in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het
economische verkeer kan worden toegekend.
– 7. Voor de bepaling van
de verschuldigde belasting op de voet van het tweede lid, onderdeel c, wordt
buiten beschouwing gelaten dat de belasting wordt geheven van de
inhoudingsplichtige.
– 8. [Vervallen per 1
januari 2012]
– 9. Voorzover
in hetzelfde loontijdvak of dezelfde loontijdvakken door meer dan één werknemer
eindheffingsbestanddelen worden genoten kan, mits dat leidt tot een beduidende
vereenvoudiging van de vaststelling van de verschuldigde belasting, de
verschuldigde belasting globaal worden vastgesteld, zodanig dat deze
redelijkerwijs overeenkomt met de verschuldigde belasting die op de voet van de
vorige leden zou zijn bepaald.
– 10. [Vervallen per 1
januari 2012]
– 11. De in het eerste en
tweede lid bedoelde ministeriële regelingen worden, voorzover
het de premie voor de volksverzekeringen betreft, getroffen in overleg met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 32a – 1. Voor de
toepassing van artikel 31, derde en vierde lid, worden bij ministeriële
regeling regels gesteld voor het bepalen van het op de eindheffingsbestanddelen
toe te passen tarief. Daarbij kunnen de gevolgen van het passeren van
tariefschijfgrenzen en maximum premielonen buiten beschouwing blijven en kunnen
voorts de noodzakelijke afrondingen en vereenvoudigingen worden toegepast.
Indien ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen
premie is verschuldigd waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt
het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens
artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
– 2.Voor
gevallen waarin tevens artikel 27b, eerste lid, van toepassing is worden in de
in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling, met overeenkomstige
toepassing van artikel 31, derde en vierde lid, tevens regels gesteld volgens
welke telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één
bedrag dan wel in één percentage kunnen worden afgeleid.
[...]
Art. 32d – 1. De in Nederland
wonende of gevestigde inhoudingsplichtige wordt geacht met het door hem
verschuldigde loon van een in Nederland wonende werknemer tevens te verstrekken
het loon dat de werknemer zonder toepassing van dit artikel zou hebben genoten
als werknemer van een andere inhoudingsplichtige, indien:
a. de werknemer uit hoofde van zijn
dienstbetrekking tevens werkzaam is als werknemer van die andere
inhoudingsplichtige onder de verplichting het hem toekomende loon en de
bijbehorende vrije vergoedingen af te staan aan de inhoudingsplichtige, en
b. die andere inhoudingsplichtige het bedoelde loon en de bijbehorende
vrije vergoedingen rechtstreeks afdraagt aan de inhoudingsplichtige en aan de
werknemer geen vrije verstrekkingen verstrekt die niet vooraf aan de
inhoudingsplichtige zijn medegedeeld. Aan de
voorwaarde in de eerste volzin, onderdeel a, dat de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking tevens werkzaam is als
werknemer van een andere inhoudingsplichtige is ook voldaan indien de
inhoudingsplichtige waaraan het loon wordt afgestaan een lichaam is waarin de
werknemer een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting
2001, de werknemer via dit lichaam een belang heeft in de andere
inhoudingsplichtige en dit belang tezamen met zijn werkzaamheden voor die
andere inhoudingsplichtige materieel grotendeels overeenkomt met het aandeel en
de werkzaamheden van een vennoot in een vennootschap onder firma.
– 2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van een niet in Nederland wonende
werknemer ingeval het aan de inhoudingsplichtige afgestane loon voor de
toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting niet anders zou
worden behandeld dan het door deze inhoudingsplichtige aan de werknemer uit te
betalen loon.
– 3. Het eerste en tweede
lid zijn slechts van toepassing als de inspecteur onder wie de
inhoudingsplichtige ressorteert die zonder toepassing
van deze leden belasting had moeten inhouden, op gezamenlijk verzoek van deze
inhoudingsplichtige, de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan en
de werknemer bij voor bezwaar vatbare beschikking, die te allen tijde bij
nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, heeft
vastgesteld dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
– 4. Het derde lid is niet
van toepassing indien:
a. de werknemer een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de
Wet inkomstenbelasting 2001 in zowel de inhoudingsplichtige die zonder
toepassing van dit artikel belasting had moeten inhouden als in de
inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan, en
b. de inhoudingsplichtige aan wie het loon wordt afgestaan
aangifte doet in overeenstemming met het eerste of tweede lid.
[...]
(artikelen die van
toepassing blijven indien geen gebruik wordt gemaakt van
de werkkostenregeling, zie
artikel 12.7, onderdeel b ten eerste URLB 2011)
Hoofdstuk 3
Vrije vergoedingen en
verstrekkingen (Hoofdstuk IIA van de wet);
extraterritoriale
werknemers
Art. 8 – 1. In dit hoofdstuk en
de daarop berustende regelingen zijn de volgende definities van toepassing.
– 2. Verstaan wordt onder:
a. extraterritoriale werknemers: ingekomen
werknemers en uitgezonden werknemers;
b. ingekomen werknemer:
door een
inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een
inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet:
1° met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse
arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; en
2° die in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden
voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland woonachtig was op
een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de
territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het
Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve
economische zone.
c. uitgezonden werknemer: werknemer in de zin van artikel 2 van
de wet, door een inhoudingsplichtige naar het buitenland gezonden met het oog
op:
1° plaatsing als ambtenaar bij een vertegenwoordiging van het
Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland (post);
2° tewerkstelling als ambtenaar, rechterlijk ambtenaar of militair
op de Nederlandse Antillen of Aruba;
3° tewerkstelling als militair buiten het Koninkrijk der
Nederlanden;
4° tewerkstelling in een bij ministeriële regeling, in
overeenstemming met Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking, aangewezen
regio;
5° het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs.
d. looptijd: de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een
werknemer van toepassing is.
– 3. Indien de
tewerkstelling van een werknemer met de titel van doctor (gepromoveerde)
plaatsvindt binnen een jaar na het behalen van deze titel, blijven bij de
beoordeling of deze werknemer door een inhoudingsplichtige uit een ander land
in dienstbetrekking wordt aangeworven buiten beschouwing de periode van
verblijf in het kader van het behalen van deze titel in Nederland of in het
gebied binnen 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de
territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het
Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve
economische zone, alsmede de periode na de promotie.
– 4. De in het tweede lid,
onderdeel b, onder 2°, opgenomen voorwaarde geldt niet indien de door een
inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een
inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet meer
dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van een
eerdere tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan
150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van
Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in
artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, en die
eerdere tewerkstelling niet eerder dan acht jaren voor de nieuwe tewerkstelling
is aangevangen.
– 5. Een werknemer wordt
slechts als uitgezonden aangemerkt indien hij in een periode van twaalf maanden
ten minste 45 dagen ten behoeve van zijn werkzaamheden
verblijft in een of meer plaatsen waarnaar hij is gezonden. Bij de bepaling of
aan deze voorwaarde is voldaan worden verblijfsperioden van minder dan 15 dagen
niet in aanmerking genomen en worden dagen waarop de werknemer zonder
onderbreking naar de desbetreffende plaatsen en terug reist – of zou reizen bij
gebruikmaking van het voor werknemers in het algemeen meest gebruikelijke
vervoermiddel – als dagen van verblijf in die plaatsen aangemerkt. Indien aan
de voorwaarde is voldaan, kan de werknemer tevens als uitgezonden worden
beschouwd gedurende alle overige dienstreizen van ten minste
10 dagen naar de desbetreffende plaatsen.
– 6. Ambtenaren bij een
post zijn:
a. overplaatsbare ambtenaren van de Dienst Buitenlandse Zaken van
het ministerie van Buitenlandse Zaken, zijnde ambtenaren die zijn aangesteld om
waar ook ter wereld werkzaam te zijn;
b. niet-overplaatsbare ambtenaren van die Dienst Buitenlandse
Zaken die tijdelijk aan een post zijn toegevoegd;
c. ambtenaren van andere ministeries die op een post zijn
tewerkgesteld;
d. militairen en burgerpersoneel van het ministerie van Defensie
die op een post zijn geplaatst, alsmede vlag- en opperofficieren die zijn
geplaatst op internationale staven in het buitenland;
e. werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht na uitzending vanuit Nederland werkzaamheden verrichten bij
een post.
– 7. Onder het beoefenen
van wetenschap of het geven van onderwijs wordt verstaan:
a. het buiten Nederland verrichten van onderzoek op de financiële
basis van:
1°. een beurs of stipendium van de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk
onderzoek of de Stichting
voor wetenschappelijk onderzoek van de tropen;
2°. een NATO-fellowship;
3°. door Onze minister aan te wijzen vergelijkbare beurzen,
stipendia en fellowships;
b. het als leerkracht of beoefenaar van wetenschap door een
instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap worden uitgezonden dan wel
op uitnodiging van een dergelijke in het buitenland gevestigde instelling zich
naar het buitenland begeven, met het doel aldaar onderwijs te geven aan een
instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap of wetenschappelijk
onderzoek te verrichten voor een dergelijke instelling.
– 8. Schoolgelden zijn
uitgaven voor het door kinderen van de extraterritoriale werknemer volgen van
basisonderwijs of voortgezet onderwijs aan internationale scholen en
internationale afdelingen van niet-internationale scholen, tot de bedragen die
door de school overeenkomstig haar tarieven voor onderwijs in rekening worden
gebracht, met uitzondering van kosten van kost en inwoning maar met inbegrip
van vervoerskosten.
Art. 9 – 1. Vergoedingen en
verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten, respectievelijk ter
voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst worden, ten
aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de
inhoudingsplichtige, in elk geval beschouwd als vergoeding voor
extraterritoriale kosten tot (bewijsregel):
a. 30% van de grondslag, waarbij de grondslag is de som van het
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van
het verblijf buiten het land van herkomst dat is genoten tijdens de looptijd
van de bewijsregel en voorzover de ingekomen of
uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting,
en de vergoeding voor extraterritoriale kosten;
b. het bedrag van de schoolgelden.
– 2. In geval van
verstrekkingen zijn de waarderingsregels krachtens
artikel 13 van de
wet van toepassing.
Art. 9a – 1. Een werknemer
bezit specifieke deskundigheid indien het loon, bedoeld in paragraaf 3.3.1 van
de Wet inkomstenbelasting 2001, op jaarbasis meer bedraagt dan € 35 000.
– 2. In afwijking van het
eerste lid bezit een werknemer die de titel van master heeft behaald aan een
instelling voor wetenschappelijk onderwijs en die de leeftijd van 30 jaar nog
niet heeft bereikt, specifieke deskundigheid indien het loon, bedoeld in
paragraaf 3.3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, op jaarbasis meer bedraagt
dan € 26 605.
– 3. In afwijking in
zoverre van het eerste en tweede lid bezit een werknemer ook specifieke
deskundigheid indien de werknemer:
a. in het kader van wetenschappelijk onderzoek of
wetenschappelijk onderwijs in Nederland wordt tewerkgesteld bij een
onderzoeksinstelling die is aangewezen op grond van artikel 3.18b, onderdelen a
of b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000,
of
b. in Nederland wordt tewerkgesteld als arts in opleiding tot
specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de
Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts
Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut.
– 4. Bij de beoordeling of
de specifieke deskundigheid die een ingekomen werknemer bezit niet of schaars
aanwezig is op de Nederlandse arbeidsmarkt, wordt in onderlinge samenhang
rekening gehouden met de volgende factoren, voor zover relevant:
a. het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding;
b. de voor de functie relevante ervaring van de werknemer;
c. het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland in
verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van de werknemer.
– 5. Bij het begin van het
kalenderjaar worden de in het eerste en tweede lid genoemde bedragen bij
ministeriële regeling gewijzigd in andere bedragen. Deze bedragen worden
berekend door de te wijzigen bedragen te vermenigvuldigen met de
tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting
2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het
voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij
wijziging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
– 6. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter zake
van de toepassing van het eerste en tweede lid.
Art. 9b – 1. Voor ingekomen werknemers
bedraagt de looptijd van de bewijsregel maximaal acht jaar, ingaande op de
eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige en eindigende op
de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin die tewerkstelling
is geëindigd.
– 2. Voor uitgezonden
werknemers is de looptijd van de bewijsregel gelijk aan de duur van de
uitzending.
Art. 9c – 1. Indien een
ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt,
blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige
de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing, mits de periode
tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de
totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige
niet langer is dan drie maanden.
– 2. Bij een dergelijk
verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden
gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer.
Art. 9d Indien de ingekomen
werknemer niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse
arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is, wordt de looptijd verminderd tot op
het moment waarop deze situatie zich voordoet.
Art. 9e – 1. Indien de
ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als
ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige, in Nederland is tewerkgesteld
of is verbleven, wordt de looptijd verminderd met de perioden van eerdere
tewerkstelling en eerder verblijf.
– 2. Perioden van eerdere
tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan vijfentwintig jaar voorafgaand
aan de tewerkstelling zijn geëindigd, worden niet in aanmerking genomen.
– 3. Voor de toepassing
van het eerste en tweede lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland
tewerkgesteld indien hij in elk kalenderjaar van de periode van vijfentwintig
jaar maximaal 20 dagen hier te lande heeft gewerkt.
– 4. Voor
de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland
verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar in totaal
niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie,
familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden, waarbij in de periode van
tien jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in
Nederland wegens vakantie, familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden
niet in aanmerking wordt genomen.
– 5. Voor de toepassing
van het eerste en tweede lid wordt een werknemer geacht in Nederland te zijn
tewerkgesteld gedurende de gehele periode dat hij een door een
inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een
inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet is.
Art. 9f Indien een verzoek om
toepassing van de bewijsregel als bedoeld in artikel 9h niet is gedaan binnen
vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de
inhoudingsplichtige, wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het
tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is
tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 9h,
voor het eerst van toepassing is.
Art. 9g Bij vermindering van de
looptijd volgens dit hoofdstuk wordt elke periode waarmee de looptijd wordt
verminderd naar boven afgerond op gehele kalendermaanden.
Art. 9h – 1. Een verzoek om
toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen
werknemer wordt gedaan aan de inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
– 2. Indien het verzoek is
gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als
extraterritoriale werknemer door de inhoudingsplichtige, werkt de beschikking
terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale
werknemer. Indien het verzoek later is gedaan, is de beschikking van toepassing
met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek
is gedaan.
Art. 10 De inhoudingsplichtige
wordt voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk ten aanzien van
een ingekomen werknemer geacht dezelfde inhoudingsplichtige te zijn als de
zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer mits:
a. de inhoudingsplichtige en de zonder onderbreking voorafgaande
inhoudingsplichtige behoren tot een zelfde samenhangende groep
inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet, en
b. aannemelijk is dat de werknemer opnieuw zou worden aangemerkt
als ingekomen werknemer indien artikel 9c zou worden toegepast.
[...]
Hoofdstuk 5
Aanvullende regelingen
(Hoofdstuk VI van de wet)
Art. 10f – 1. Ten aanzien van
de werknemers aan wie kosten verband houdende met het vervoer als bedoeld in
artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden vergoed, is het
toegestaan dat deze vergoedingen slechts als loon in aanmerking worden genomen
voor zover zij in totaal meer hebben bedragen dan het aantal in het
kalenderjaar voor vergoeding in aanmerking gekomen kilometers vermenigvuldigd
met het in de genoemde bepaling bedoelde bedrag per kilometer.
– 2. Het op de voet van
het eerste lid als loon in aanmerking te nemen bedrag wordt geacht
niet te behoren tot het loon van het kalenderjaar doch wordt geacht te behoren
tot het loon van het volgende kalenderjaar en te zijn betaald op de laatste
werkdag in januari van dat volgende kalenderjaar.
– 3. Ingeval de
dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar is geëindigd komt bij de
toepassing van het eerste en het tweede lid voor het kalenderjaar in de plaats
het tijdvak gedurende
hetwelk de dienstbetrekking in het kalenderjaar heeft bestaan en wordt het als
loon in aanmerking te nemen bedrag geacht te behoren tot het loon van de
kalendermaand volgende op die waarin de dienstbetrekking is geëindigd en te
zijn betaald op de laatste werkdag van die volgende kalendermaand.
– 4. Ten aanzien van de
werknemers aan wie kosten verband houdende met het vervoer als bedoeld in
artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden vergoed, is het, indien
het eerste lid geen toepassing vindt, toegestaan dat het ter
zake van die vergoedingen als loon van de maand december van het
kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag wordt geacht niet te behoren tot het
loon van die maand doch wordt geacht te behoren tot het loon van de maand
januari van het volgende kalenderjaar en te zijn betaald op de laatste werkdag
van deze maand.
(artikelen die van toepassing blijven indien geen gebruik wordt
gemaakt van
de werkkostenregeling, zie artikel 12.7, onderdeel b ten tweede
URLB 2011)
Hoofdstuk 1
Algemeen
[…]
Artikel 2 – 1. Deze regeling verstaat onder:
a. wet:
de Wet op de loonbelasting 1964;
b. besluit:
het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;
c. verbonden
vennootschap: een verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid,
van de wet;
d. inhoudingsplichtigenverklaring:
de verklaring dat degene aan wie die verklaring is afgegeven ten aanzien van
artiesten dan wel beroepssporters als inhoudingsplichtige is aangewezen;
e. jaaropgaaf:
de opgave van het in het kalenderjaar genoten loon, de ingehouden belasting en
andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de
inkomstenbelasting;
f. belasting,
ingeval artikel 27b, eerste lid, van de wet van toepassing is: het gezamenlijke
bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen;
g. heffingskorting:
de heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk III van de wet;
h. openbaar vervoer:
voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een
auto, bus, trein, tram, metro, veerpont of een via een geleidesysteem
voortbewogen voertuig.
– 2. In deze regeling wordt onder een uitkering ingevolge een
sociale verzekeringswet mede verstaan de toeslag die ingevolge de Toeslagenwet
wordt verleend op die uitkering.
[…]
Hoofdstuk 3
Voorwerp van de belasting (hoofdstuk II van de wet)
Artikel 7a Als niet tot het loon behorende voorzieningen voor
militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit
als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel l, van de wet worden
aangewezen: voorzieningen in de zin van de Voorzieningenregeling voor militaire
oorlogs- en dienstslachtoffers.
Artikel 8 Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid,
onderdelen m en o, en artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet en
artikel 7, onderdeel b, van deze regeling wordt het loon in aanmerking genomen
met inachtneming van het volgende:
a. artikel 11, eerste
lid, onderdeel j, van de wet vindt geen toepassing;
b. tantièmes en
toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken
worden niet in aanmerking genomen.
Artikel 9 – 1. De schriftelijk vastgelegde regeling, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 1°, van de wet moet voorzien in een
gedagtekende overeenkomst die ten minste bevat:
a. naam en adres van de
werknemer en de inhoudingsplichtige, en
b. de dag of dagen in
de week waarop de werknemer in de werkruimte, bedoeld in het tweede lid, pleegt
te werken.
– 2. De inrichting van de werkruimte in de woning, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 2°, van de wet moet voldoen aan de
in de artikelen 5.4, 5.12 en 6.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gestelde
voorwaarden.
[…]
Artikel 20 De waarde van het genot van ter beschikking gestelde
communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke apparatuur en
bijbehorende apparatuur –, waarvan het zakelijke gebruik van niet meer dan
bijkomstig belang is, wordt gesteld op de daaraan in het economische verkeer
verbonden kosten.
Artikel 21 De waarde van kleding voor een kind dat werkzaam is in
de onderneming van zijn ouder wordt gesteld op € 29,25 per maand (€ 6,75 per
week, € 1,35 per dag).
Artikel 21a De waarde van het genot van een ter beschikking
gestelde computer die minder dan nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt,
bedraagt in het eerste, in het tweede en in het derde jaar van ingebruikneming
van de computer, 30% van de waarde in het economische verkeer van de computer
op het moment van de eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de waarde
van het genot op nihil gesteld. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot met computers vergelijkbare apparatuur en met betrekking tot
bijbehorende apparatuur.
Artikel 21b De waarde van kinderopvang waarvoor aanspraak op een
kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk aan- spraak op een tegemoetkoming kan
ontstaan op de voet van artikel 5 van de Wet kinderopvang, die de
inhoudingsplichtige zelf verricht, wordt gesteld op het aantal uren genoten
kinderopvang maal de uurprijs vastgesteld krachtens artikel 7, tweede lid, van de Wet kinderopvang.
[…]
Hoofdstuk 4
Vrije vergoedingen en verstrekkingen (hoofdstuk II a van de wet)
Artikel 22 – 1. Ingeval op grond van dit hoofdstuk of hoofdstuk
IIA van de wet een verstrekking vanaf een bepaald bedrag tot de vrije
verstrekkingen behoort en daar beneden niet, wordt een dergelijke verstrekking
tot dit bedrag tot het loon gerekend.
– 2. Ingeval een in dit hoofdstuk of in hoofdstuk IIA van de wet
opgenomen regeling zowel betrekking heeft op een vrije vergoeding als op een
vrije verstrekking, geldt het vrijgestelde bedrag voor vrije vergoedingen en
vrije verstrekkingen tezamen.
Artikel 23 – 1. Ingeval ter zake van een
op grond van dit hoofdstuk niet volledig vrije vergoeding kosten voor rekening
van de werknemer blijven, wordt het in de desbetreffende bepaling opgenomen of
bedoelde bedrag van het niet vrije gedeelte van de vergoeding verlaagd met deze
kosten van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil.
– 2. Ingeval ter zake van een op grond
van dit hoofdstuk niet volledig vrije verstrekking aan de werknemer een eigen
bijdrage in rekening wordt gebracht, wordt het in de desbetreffende bepaling
opgenomen of bedoelde bedrag voor het niet vrije gedeelte van de verstrekking
verlaagd met de eigen bijdrage van de werknemer, doch niet verder dan tot
nihil.
Artikel 24 Voor de
toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt kleding
slechts als werkkleding aangemerkt indien zij:
a. uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de
dienstbetrekking te worden gedragen;
b. is voorzien van een
of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken
met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm².
Artikel 25 – 1. Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid,
onderdeel g, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van
de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een
nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande
dienstbetrekking door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van
zijn dienstbetrekking met ten minste 60% verkleint
terwijl tot die verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn
dienstbetrekking ten minste 25 kilometer bedroeg.
– 2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de
afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.
Artikel 26 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands
openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten
behoeve van woon-werkverkeer, indien aannemelijk is dat het recht op vrij
reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor
woon-werkverkeer.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het
recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot
reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, indien
aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.
Artikel 27 – 1. Als regio’s bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel c, onder 4º, van het besluit worden aangewezen:
a. de landen in Azië
(waaronder Hongkong en het gedeelte van Turkije dat ten oosten van de Bosporus
is gelegen);
b. de landen in Afrika;
c. de landen in Latijns
Amerika (waaronder Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden);
d. de volgende landen in
Europa: Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië-Hercegovina, Bulgarije,
Estland, Georgië, Hongarije, de Federale Republiek Joegoslavië (Servië en
Montenegro, daaronder begrepen Kosovo), Kroatië, Letland, Litouwen, de
voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Moldovië, Oekraïne, Polen, Roemenië, de Russische
Federatie, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.
– 2. Onder de in het eerste lid genoemde landen worden begrepen
gebieden gelegen buiten de territoriale wateren van die landen waar deze in
overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kunnen
uitoefenen.
Artikel 28 De verklaring, bedoeld in artikel 15a, derde lid, van
de wet, wordt afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 29 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness, indien:
a. deelneming aan de
fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of
nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de
woning van een van deze werknemers, en
b. de
fitness plaatsvindt:
1° in een vestiging van
de inhoudingsplichtige of in een fitnesscentrum dat door de inhoudingsplichtige
is aangewezen voor alle werknemers, met dien verstande dat, ingeval de
inhoudingsplichtige voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één
fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in
elke vestiging van dat fitnessbedrijf, of
2° in een fitnesscentrum
dat door de inhoudingsplichtige is aangewezen voor alle werknemers met dezelfde
niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats, met dien
verstande dat, ingeval de inhoudingsplichtige met betrekking tot de werknemers
op deze arbeidsplaats voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één
fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in
elke vestiging van dat fitnessbedrijf.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van
bedrijfsfitness, indien:
a. deelneming aan de
fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of
nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de
woning van een van deze werknemers, en
b. de
fitness plaatsvindt:
1° in een vestiging van
de inhoudingsplichtige of in een fitnesscentrum dat door de inhoudingsplichtige
is aangewezen voor alle werknemers, met dien verstande dat, ingeval de
inhoudingsplichtige voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één
fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in
elke vestiging van dat fitnessbedrijf, of
2° in een fitnesscentrum
dat door de inhoudingsplichtige is aangewezen voor alle werknemers met dezelfde
niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats, met dien
verstande dat, ingeval de inhoudingsplichtige met betrekking tot de werknemers
op deze arbeidsplaats voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één
fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in
elke vestiging van dat fitnessbedrijf.
– 3. Onder bedrijfsfitness als bedoeld in het eerste en tweede lid
wordt verstaan: conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt
onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de
inhoudingsplichtige.
– 4. Dit artikel is niet van toepassing op vergoedingen en
verstrekkingen die uitsluitend toekomen aan een werknemer van een vennootschap
waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin
de werknemer, al dan niet tezamen met zijn partner in de zin van artikel 1.2
van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed- of aanverwanten in de rechte
lijn direct of indirect, voor ten minste één derde
gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is, of aan diens partner in
de zin van genoemd artikel 1.2.
Artikel 30 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet
vergoedingen die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder
begrepen, in een woning, de aanhorigheden daaronder
begrepen, van de werknemer, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting
zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:
a. ingeval de werknemer
tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het
gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar
loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft,
of
b. ingeval de werknemer
niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het
gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar
loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning
verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren niet verstrekkingen van
een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in een woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, tenzij
de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning
vormt en:
a. ingeval de werknemer
tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het
gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar
loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft,
of
b. ingeval de werknemer
niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het
gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar
loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning
verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.
– 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede
verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van
artikel 1 van de Woningwet, alsmede de aanhorigheden
van een schip of een woonwagen.
Artikel 31 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren, onverlet de
toepassing van artikel 30, niet vergoedingen ter zake
van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de
aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover
deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning,
met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning
als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt
vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van
die wet.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren, onverlet de toepassing
van artikel 30, niet verstrekkingen van werkruimte, de inrichting daaronder
begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder
begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer
bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met
inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als
bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde
huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.
Artikel 32 – 1. Tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen
behoren vergoedingen en verstrekkingen, in redelijkheid, ter
zake van personeelsverenigingen en dergelijke waaraan deelname openstaat
voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de
werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een
van deze werknemers.
– 2. Personeelsverenigingen in de zin van dit artikel hebben als
doel en feitelijke werkzaamheden het organiseren van incidentele activiteiten
en ondergeschikte voorzieningen met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de
werknemers.
– 3. Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
– 4. Tot de vrije verstrekkingen behoren de verstrekkingen door
personeelsverenigingen van de in het tweede lid bedoelde incidentele
activiteiten en ondergeschikte voorzieningen.
Artikel 32a – 1. Tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen
behoren vergoedingen en verstrekkingen, in redelijkheid, ter
zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke
incidentele personeelsvoorzieningen die een gezamenlijk karakter dragen en
waaraan deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor
ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of
functionele eenheid.
– 2. Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:
a. de vergoeding op
jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur
van 36 uren per kalenderweek, of
b. de vergoeding meer
bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor
bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm
van het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking,
voor zover:
a. de waarde in het
economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de
werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een
overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of
b. de waarde in het
economische verkeer meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de
inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de
besparing.
– 3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vaststelling bij
beschikking vindt slechts plaats, indien de werknemer aannemelijk maakt dat het
bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische
verkeer van het genot van de woning.
– 4. De beschikking van de inspecteur, die te allen tijde bij
nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, vindt
toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde van de beschikking
nog niet zijn verstreken.
– 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als het loon
uit tegenwoordige dienstbetrekking beschouwd de vergoeding van het genot van
een woning en de verstrekking in de vorm van het genot van de woning terzake van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
Artikel 34 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bewassing, energie en water ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de
vergoeding meer bedraagt dan het volgende bedrag:
a. voor
bewassing: € 13,00 per maand (€ 3,00 per week, € 0,60 per dag);
b. voor
energie ten behoeve van verwarmingsdoeleinden: € 62,00 per maand (€ 14,25 per
week, € 2,85 per dag);
c. voor
energie ten behoeve van kookdoeleinden: € 34,25 per maand (€ 8,00 per week, €
1,60 per dag);
d. voor
energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden: € 14,25 per
maand (€ 3,25 per week, € 0,65 per dag);
e. voor water: € 6,00
per maand (€ 1,50 per week, € 0,30 per dag).
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm
van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, voorzover de waarde in het
economische verkeer hoger is dan het ter zake in het
eerste lid genoemde bedrag.
Artikel 35 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van inwoning ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, voorzover de vergoeding meer
bedraagt dan € 167,50 per maand (€ 38,75 per week, € 7,75 per dag).
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm
van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan
het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.
– 3. Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde
vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de
gezinsleden van de werknemer, worden de in het eerste lid genoemde bedragen
verhoogd:
a. voor
ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar
heeft bereikt: met 80%;
b. voor
ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar
niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;
c. voor ieder gezinslid
dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft
bereikt: met 30%.
Artikel 36 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50% van
de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer
hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart)
indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede
dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor
woon-werkverkeer.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het
recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor
het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits
(voordeelurenkaart) indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van
de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.
Artikel 37 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets, voorzover
de vergoeding niet meer bedraagt dan € 749, mits aan de in het vierde lid
genoemde voorwaarden is voldaan.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een
fiets, voorzover de waarde in het economische verkeer
niet hoger is dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is
voldaan.
– 3. Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling
van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan € 749 inclusief
omzetbelasting, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.
– 4. De voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid
geldende voorwaarden zijn:
a. de werknemer maakt
op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader
van woon-werkverkeer gebruik van de fiets;
b. in het kalenderjaar
en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van
de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald, en
c. in het kalenderjaar
en de twee voorafgaande kalenderjaren is als vrije verstrekking geen fiets
verstrekt dan wel ter beschikking gesteld.
– 5. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen van niet meer
dan € 82 in het kalenderjaar ten titel van met een fiets samenhangende zaken
alsmede de vergoeding ter zake van een
fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen
dat hij pleegt te reizen in het kader van woonwerkverkeer
gebruik maakt van de fiets.
– 6. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen tot niet
meer dan € 82 in het kalenderjaar van met een fiets samenhangende zaken alsmede
de verstrekking van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de
helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van
woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.
[…]
Artikel 41 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel
bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche-eigen
producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf
van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van
ten hoogste:
a. 20% van de waarde in
het economische verkeer van deze producten en
b. € 500 per
kalenderjaar.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van
branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van
het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten
hoogste:
a. 20% van de waarde in
het economische verkeer van deze producten en
b. een bedrag van € 500
per kalenderjaar.
– 3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden
verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige
volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende
kalenderjaar niet bestond.
– 4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing
ingeval de dienstbetrekking is beëindigd door pensionering of
arbeidsongeschiktheid.
– 5. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot
geldleningen.
[…]
Artikel 43 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die
direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van
de Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een
aanmerkelijke privé-besparing geniet.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct
samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke
privé-besparing geniet.
Artikel 44 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien
de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de
vervulling van de dienstbetrekking.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm
van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering
uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de
dienstbetrekking.
Artikel 45 – 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van
outplacement van de werknemer.
Artikel 46 – 1. Vergoedingen ter zake van
consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren
in ieder geval tot de vrije vergoedingen, indien zij € 2,75 per gewerkte week
(€ 0,55 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt) niet te
boven gaan.
– 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de
werktijd consumpties, die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden
verstrekt.
Artikel 47 – 1. Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon, voorzover deze per kostencategorie naar aard en
veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts – op
verzoek van de inspecteur – een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk
gemaakte kosten ten grondslag ligt.
– 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vaste
vergoedingen, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de wet.
[…]
Artikel 51 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van
huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in
pakwagens van kermisexploitanten, voorzover de waarde
in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag
aangegeven in de volgende tabel:
Huisvesting:
|
per
maand
|
per
week
|
per
dag
|
a.
aan boord van binnenschepen – andere dan vissersschepen – en baggermaterieel:
|
|
|
|
1.
voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont
|
|
|
|
–
van een schip van meer dan 2000 ton:
|
€
153,00
|
€
35,00
|
€
7,00
|
–
van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:
|
€
114,75
|
€
26,25
|
€
5,25
|
–
van een ander schip of van baggermaterieel:
|
€
76,50
|
€
17,50
|
€
3,50
|
2.
voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:
|
€
62,00
|
€
14,25
|
€
2,85
|
b.
aan boord van zeeschepen – andere dan vissersschepen – en op boorplatforms:
|
|
|
|
1.
voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:
|
|
|
€
10,70
|
2.
voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft – voor een kapitein
en voor een officier:
|
|
|
€
5,00
|
–
voor een andere werknemer:
|
|
|
€
2,50
|
c.
aan boord van vissersschepen: voor de werknemer die aan boord woont en geen
gezin heeft:
|
|
|
€
3,45
|
d.
in pakwagens van kermisexploitanten: voor de werknemer die in een pakwagen
woont en geen gezin heeft:
|
€
62,00
|
€
14,25
|
€
2,85
|
e.
voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:
|
nihil
|
nihil
|
nihil
|
Artikel 52 Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden
in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn
begrepen de bedragen van bewassing, energie en water, bedoeld in artikel 34.
[…]
Artikel 55 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in
de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de
plaats waar de arbeid wordt verricht, voorzover de
waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan € 2,30 voor
een ontbijt, € 2,30 voor een koffiemaaltijd en € 4,45 voor een warme maaltijd.
Artikel 56 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van
tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de
plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht.
[…]
Artikel 59 – 1. Tot de vrije verstrekkingen behoort het
rentevoordeel ter zake van een door de
inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden
vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover
de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd
zou zijn hoger is dan 3% per jaar.
– 2. Tot de vrije verstrekkingen behoort, in zoverre in afwijking
van het eerste lid, het rentevoordeel ter zake van een
door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige
verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige
wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende
aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel
tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord, hetzij op
grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de wet of artikel
XXIV, onderdeel A, van de Wet van 16 december 2004, Stb. 653 (Belastingplan
2005) niet tot het loon zou hebben behoord.
[…]
Hoofdstuk 7
Wijze van heffing (hoofdstuk IV van de wet)
Artikel 68 – 1. De inhoudingsplichtige administreert bij de
loonadministratie de gegevens met betrekking tot de volgende uitkeringen,
vergoedingen en verstrekkingen die door hem niet tot het loon van de werknemer
zijn gerekend:
a. vrije vergoedingen
met een vast of gelijkmatig karakter;
b. uitkeringen en
verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m, o, en q,
artikel 15a, eerste lid, onderdeel h, en artikel 17a, eerste lid, onderdeel c,
van de wet;
– 2. De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde
gegevens op een andere plaats administreren, mits:
a. hij dit onder
vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en
b. de gegevens op
verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de
loonadministratie wordt gevoerd.
[…]
Hoofdstuk 8
Eindheffing (hoofdstuk V van de wet)
Artikel 82 – 1. Als loon dat bezwaarlijk kan worden
geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel d, van de
wet worden aangewezen:
a. voordelen bestaande
uit het niet op de werknemer verhalen van administratieve sancties die aan de
inhoudingsplichtige zijn opgelegd ingevolge de Wet administratieve handhaving
verkeersvoorschriften;
b. aanspraken ingevolge
een ziektekostenregeling die niet geheel of
gedeeltelijk worden gedekt door een werknemersbijdrage voorzover
deze door de inhoudingsplichtige in eigen beheer worden gehouden;
c. niet tot de vrije
verstrekkingen behorende verstrekkingen van maaltijden in bedrijfskantines of
andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht;
d. verstrekkingen met
een waarde in het economische verkeer van ten hoogste € 272,00 per jaar en ten
hoogste € 136,00 per verstrekking, met overeenkomstige toepassing van het bij
en krachtens artikel 13 dan wel artikel 17 van de wet
bepaalde;
e. verstrekkingen van
achtergestelde vliegvervoerbewijzen door luchtvaartmaatschappijen en
aanverwante bedrijven;
f. vergoedingen ter zake van een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk
vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, dat niet dient ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer;
g. verstrekkingen van
een beperkt recht op geheel of gedeeltelijk vrij reizen per Nederlands openbaar
vervoer, dat niet dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of
voor woon-werkverkeer;
h. uitkeringen ingevolge
een in verband met het vervallen van een ziektekostenregeling als bedoeld in
onderdeel b getroffen overgangsregeling, mits:
1° de som van de
uitkeringen niet hoger is dan 250% van de door de werknemer ingevolge de
ziektekostenregeling ontvangen uitkering over het kalenderjaar 2003, 2004 of
2005, en
2° de overgangsregeling
uiterlijk op 1 januari 2015 vervalt;
i. vergoedingen en
verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit, voor zover het
bedrag van die vergoedingen en verstrekkingen hoger is dan het ingevolge de
bewijsregel, bedoeld in artikel 9 van het besluit, als vrije vergoeding voor
extraterritoriale kosten als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel j,
van de wet in aanmerking te nemen bedrag;
j. vergoedingen van
kosten van huisvesting buiten de woonplaats ter zake
van de dienstbetrekking voor zover de vergoedingen betrekking hebben op een
periode van meer dan twee jaar;
k. verstrekkingen van
huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de
dienstbetrekking voor zover de verstrekkingen betrekking hebben op een periode
van meer dan twee jaar;
l. het voordeel van
een ook voor privédoeleinden ter beschikking gestelde auto voor zover dat
toerekenbaar is aan buitengewone beveiligingsmaatregelen.
– 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen f en g,
wordt onder een beperkt recht verstaan een recht dat, behoudens in de maanden
juli en augustus, van maandag tot en met vrijdag niet kan worden gebruikt
tussen 07.00 en 09.00 uur of tussen 16.30 en 18.00 uur.
– 3. Met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde loon wordt
het bedrag van de verschuldigde belasting bepaald aan de hand van het
tabeltarief bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet.
Artikel 82a Het in artikel 31, eerste lid, onderdeel h, van de wet
bedoelde bedrag per maand wordt gesteld op € 200.
[…]
Artikel 84 Als loon met een bestemmingskarakter als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdeel e, onder 2º, van de wet worden aangewezen:
a. vergoedingen van de
aan- en verkoopkosten van de woning van de werknemer bij bedrijfsverplaatsingen
en andere zakelijke verhuizingen als bedoeld in artikel 15a, eerste lid,
onderdeel g, van de wet;
b. vergoedingen van
parkeer-, veer- en tolgelden, alsmede overeenkomstige verstrekkingen;
c. uitkeringen en
verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden verlies wegens
diefstal en dergelijke die hem in verband met het vervullen van de
dienstbetrekking zijn overkomen;
d. uitkeringen en
verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden schade ten gevolge
van overstromingen, aardbevingen en dergelijke, die niet pleegt te worden
verzekerd;
e. toeslagen als
bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en in artikel 21b van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945 zoals dat luidde tot 1 januari 1992, alsmede
toeslagen als bedoeld in artikel 19 van de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Artikel 84a Als eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 32ab, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. voordelen uit
spaarsystemen en goederen of diensten, in de promotionele sfeer;
b. verstrekkingen die
tegelijkertijd en voor dezelfde gelegenheid aan de eigen werknemers zijn
verstrekt waarbij de waarde in het economische verkeer niet hoger is dan de
bedragen bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel d.
[…]