LB-besluiten Wet IB 2001

 

De volgende besluiten zijn afgegeven in het kader van de invoering van het nieuwe belastingstelsel.

Het betreft vernieuwde besluiten die zijn uitgebracht voor het nieuwe belastingstelsel.

 

(…)

 

Loonbelasting: Reiskostenforfait. Hardheidsclausule

Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/2987M

 

(…)

 

Reiskostenforfait. Hardheidsclausule

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/2987M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

1.         Inleiding

Regelmatig ontvang ik verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule aftrek of vrije vergoeding van de werkelijke reiskosten woning-werk toe te staan, in afwijking van de toepassing van de wettelijk geldende forfaitaire reiskostenregeling (de zgn. 40-dagenregeling). In dit Besluit maak ik het beleid bekend dat hiervoor geldt ingaande 1 januari 2001. Per die datum vervalt het eerdere besluit over dit onderwerp (Besluit van 28 september 1992, nr. DB92/4492).

Verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule die nog bij mij binnenkomen zal ik, onder verwijzing naar de inhoud van dit besluit, ter afhandeling zenden aan de eenheden van de Belastingdienst.

De eenheden van de Belastingdienst zullen het afwijzende beleid overigens in voorkomende gevallen ter kennis van de belastingplichtige brengen, om zo veel mogelijk te voorkomen dat vruchteloos verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule worden gedaan.

2.         Werkelijke reiskosten

Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule de forfaitaire reiskostenregeling buiten werking te stellen en de werkelijk gemaakte reiskosten in aanmerking te nemen wijs ik, gelet op de uitgangspunten die ten grondslag hebben gelegen aan de regeling, steeds af. Een forfaitaire regeling kan per definitie tot gevolg hebben dat een (belangrijk) deel van de werkelijke kosten niet belastingvrij kan worden vergoed. Deze gevolgen heeft de wetgever onderkend en om doelmatigheidsredenen aanvaard. De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft zich met dit afwijzende beleid verenigd; vgl. het Verslag van 12 februari 1998 van een algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën met de Staatssecretaris van Financiën (TK, vergaderjaar 1997-1998, 25600 IXB, nr. 17).

3.         Openbaarvervoerverklaringen

Ook verzoeken van belastingplichtigen die geen openbaar-vervoerverklaring, of een daarmee gelijk te stellen verklaring als bedoeld in artikel 3.87, tiende lid van de Wet IB 2001 (de reisverklaring in de zin van artikel 16, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling IB 2001), hebben, maar wel reisaftrek willen hebben, wijs ik af.

Het kan bijvoorbeeld gaan om de volgende situaties:

 

a.   Het reizen gebeurt wel met het openbaar vervoer maar belastingplichtige beschikt niet over een openbaarvervoerverklaring of reisverklaring. Deze verzoeken wijs ik af omdat de wetgever er weloverwogen voor heeft gekozen alleen deze verklaringen als bewijsmiddel te aanvaarden.

 

b.   Reizen met openbaar vervoer is (nagenoeg) niet mogelijk vanwege het ontbreken van toereikende openbaar-vervoervoorzieningen tussen de woonplaats en de plaats waar de werkzaamheden worden verricht.

Tijdens de parlementaire behandeling van de "aftopping" van het reiskostenforfait is uitvoerig aandacht besteed aan situaties waarin in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer. Dit heeft echter niet geleid tot het opnemen van uitzonderingsbepalingen.

Verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule wijs ik af omdat de wetgever zich uitdrukkelijk met de optredende gevolgen heeft verenigd.

 

c.   Gebruik van het openbaar vervoer is niet mogelijk op de tijdstippen waarop men zich naar het werk begeeft (bijvoorbeeld bij werken in ploegendienst).

Hiervoor geldt hetzelfde als vermeld onder b.

 

d.   Reizen met openbaar vervoer is wegens ziekte of gebrek van de belastingplichtige niet of nauwelijks mogelijk. Verzoeken om in die situatie van de reisaftrek gebruik te mogen maken wijs ik af omdat ook voor deze gevallen bewust is afgezien van een bijzondere regeling. Ook met dit afwijzende beleid heeft de Tweede Kamer zich verenigd. Ik verwijs naar het verslag van de Commissie voor de Verzoekschriften (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 885, nr. 245), opgenomen in V-N 1991, blz. 2674.

4.         Meer malen per dag heen en weer reizen

Er geldt een goedkeurende regeling voor gevallen waarin de belastingplichtige genoodzaakt is om voor de uitoefening van zijn functie meer malen per dag naar zijn arbeidsplaats te reizen.

Berekening extra vrije vergoeding

De reiskosten van de extra ritten woning-werk worden voor een vast bedrag per afgelegde extra kilometer in aanmerking genomen. Dit vaste bedrag wordt gesteld op e 0,27 (f 0,60), zijnde het bedrag bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2001).

Er is sprake van extra kilometers voor zover per jaar meer dan 5.000 kilometer en tevens meer dan 450 ritten vice versa worden gereden. Ritten om thuis de lunch te gebruiken blijven daarbij buiten aanmerking. In gevallen waarin niet een vol kalenderjaar wordt gereisd of waarin op drie dagen of minder per week wordt gereisd worden de hiervoor genoemde grenzen tijdsevenredig toegepast. Deze extra vrije vergoeding is mogelijk naast de forfaitaire reiskostenvergoeding.

Voorbeeld

Een chirurg in dienstbetrekking woont op 8 km van zijn arbeidsplaats. Naast de normale dagelijkse rit reist hij voor spoedgevallen regelmatig 's avonds, ’s nachts en in de weekeinden naar het ziekenhuis. Hij reist aldus 820 keer naar zijn werk, waarvan 225 keer om thuis de lunch te gebruiken.

 

De extra vrije vergoeding kan als volgt worden berekend:

vergoeding volgens reiskostenforfait:                                 nihil

 

vergoeding volgens bijzondere regeling:

totaal aantal ritten                               820

ritten i.v.m. lunch                                225

in aanmerking te nemen ritten:             595

 

595 ritten à 16 km is:                          9.520 km

drempel: van 450 ritten à 16 km:          7.200 km

extra kilometers:                                 2.320 km

 

De totale extra vrije vergoeding bedraagt aldus: 2.320 km x e 0,27 (f 0,60) = e 626 (f 1.392).

 

Voor toepassing van de artikelen 3.14 t/m 3.18 van de Wet IB 2001 geldt, nu het regelmatig woon-werkverkeer betreft dat met de eigen auto wordt afgelegd, dezelfde regeling. In het uitgewerkte voorbeeld zal de chirurg, indien hij ondernemer is, een bedrag van e 626 (f 1.392) ten laste van de winst kunnen brengen.

 

(…)