Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen
Besluit van 2 november 2001, nr. CPP2001/2191M
De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
Dit besluit is een herziene versie van het besluit 14 december 2000, nr. CPP2000/2718M. Het besluit is herzien in verband met de vervanging van de gulden door de euro per 1 januari 2002 en bevat geen inhoudelijke wijzigingen.
Om praktische redenen heb ik voor de aftrek van de pc (waarmee in dit verband steeds wordt bedoeld de personal computer inclusief toebehoren en randapparatuur) als scholingsuitgaven het navolgende beleid vastgesteld.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 maart 1993, rolnummer 29.038 (BNB 1993/170), aangegeven dat de als studiekosten aan te merken afschrijvingskosten van een pc voor het volle bedrag kunnen worden gerekend tot de uitgaven in de zin van het toenmalige artikel 46, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voorzover zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs plegen te worden gemaakt en niet louter op persoonlijke voorkeur berusten.
In navolging van dit arrest kan op grond van de artikelen 6.27 en volgende van de Wet IB 2001 het afschrijvingsbedrag van de pc dat betrekking heeft op het desbetreffende jaar als scholingsuitgaven worden aangemerkt.
Dit afschrijvingsbedrag kan als volgt worden berekend:
- De afschrijvingstermijn wordt gesteld op 3 jaar (lineair).
- Voor de berekening van de afschrijving dient rekening te worden gehouden met een restwaarde van 10%.
Bij aanschaf van een tweedehands pc kan deze berekeningswijze ook worden toegepast. Is de pc bij aanschaf tenminste een jaar oud, dan kan evenwel van een afschrijvingstermijn van twee jaar worden uitgegaan.
Met betrekking tot de toetsing aan het redelijkheidscriterium geldt dat bij pc's met een aanschafprijs onder de € 3.176 het aannemelijk kan worden geacht dat hieraan reeds invulling is gegeven. Daarboven moet het redelijkheidscriterium individueel worden getoetst.
Uiteraard kan aftrek, met inachtneming van de in artikel 6.30 van de Wet IB 2001 genoemde bedragen, alleen worden verleend indien en voorzover de pc voor opleidings- en/of studiedoeleinden (in de zin van artikel 6.27 Wet IB 2001) wordt gebruikt en tevens wordt voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad in bovenvermeld arrest heeft geformuleerd.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.
Het besluit van 14 december 2000, nr. CPP2000/2718M vervalt per 1 januari 2002.