Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen
Besluit van 26 november 2001, nr. CPP2001/2970M
De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
De Belastingherziening 2001 heeft een aantal wijzigingen meegebracht voor werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden. Inmiddels is in de praktijk een aantal vragen gesteld. Deze vragen en de hierop gegeven antwoorden zijn hierna opgenomen. Uit de gestelde vragen en uit overleg met vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties is gebleken dat de nieuwe regeling enkele knelpunten bevat. In verband hiermee bevatten de hierna opgenomen antwoorden enkele goedkeuringen.
Het betreft de volgende algemene goedkeuringen.
- Vooruitlopend op wijziging van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitv. besl. IB 2001) kan een verzoek met een keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht of een herziening van die keuze, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, Uitv. besl. IB 2001, uiterlijk bij de aangifte worden gedaan. Zie vraag 1.
- De bewijsregel kan onder voorwaarden al worden toegepast voorzover deze beschikking terugwerkende kracht zal hebben. Zie vraag 31.
- Vooruitlopend op wijziging van het Uitv. besl. LB 1965 kan als grondslag voor de bewijsregel worden uitgegaan van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, in plaats van het regelmatig genoten loon. Zie vraag 22.
Daarnaast heb ik de volgende overgangsregelingen getroffen.
- De terugwerkende kracht van een beschikking kan tot uiterlijk 1 juli 2002 worden benut door de bewijsregel toe te passen door middel van een administratieve splitsing van het loon overeenkomstig de regeling tot 1 januari 2001. Zie vraag 13.
- Pensioentoezeggingen kunnen ongewijzigd blijven voor de resterende duur van beschikkingen (en een eventuele verlenging daarvan) met een ingangsdatum voor 1 juli 2002. Zie vraag 15.
1. Wanneer kan worden gekozen voor partiële buitenlandse belastingplicht en hoe dient dit te geschieden?
Antwoord: De keuze kan worden gemaakt voor de
periode waarin de belastingplichtige voor de toepassing van het Uitv. besl. LB
1965 wordt beschouwd als ingekomen werknemer, of voor een deel van die periode.
De partiële buitenlandse belastingplicht eindigt:
- zodra de periode waarvoor de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht is gemaakt, eindigt;
- zodra de periode waarin de belastingplichtige voor de toepassing van het Uitv. besl. LB 1965 wordt beschouwd als ingekomen werknemer, eindigt;
- als de belastingplichtige de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht herziet.
De keuze en de herziening van de keuze
geschiedt door middel van het indienen van een verzoek bij de inspecteur. Deze
beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit verzoek
moet, gelet op artikel 11 Uitv. Besl. IB 2001, worden gedaan uiterlijk op
31 december van het kalenderjaar waarin men de partiële buitenlandse
belastingplicht toegepast wil zien.
Gebleken is dat in de praktijk behoefte bestaat om de keuze op een later moment
te kunnen maken. In verband hiermee ben ik voornemens om voornoemd artikel 11
met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 te wijzigen. Vooruitlopend op
deze wijziging keur ik met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 goed
dat het verzoek met een keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht of een
herziening van die keuze uiterlijk bij de aangifte kan worden gedaan.
2. Kan een werknemer die voor het jaar 2000 als fictief buitenlands belastingplichtig wordt aangemerkt, zijn keuze herzien per 1 januari 2001?
Antwoord: Als uitgangspunt geldt dat de fictief buitenlands belastingplichtige
in het jaar 2001 wordt aangemerkt als een partieel buitenlands
belastingplichtige. Deze impliciete keuze kan worden herzien. De herziening van
de keuze geschiedt door middel van het indienen van een verzoek aan de
inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Kan een werknemer die gebruik maakt van het keuzerecht voor buitenlands belastingplichtigen van artikel 2.5 Wet IB 2001, daarnaast nog gebruik maken van het keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen (artikel 2.6 Wet IB 2001)?
Antwoord: Ja.
4. Een werknemer woont in Nederland en heeft voor de toepassing van de oude 35%-vergoedingsregeling (zie het besluit van 29 mei 1995, nr. DB95/119M, BNB 1995/243) niet gekozen voor fictieve buitenlandse belastingplicht. Kan deze werknemer met ingang van het jaar 2001 kiezen voor de toepassing van de partiële buitenlandse belastingplicht?
Antwoord: Ja.
5. De partiële buitenlandse belastingplicht eindigt onder meer zodra de periode waarin de belastingplichtige voor de toepassing van hoofdstuk 3 van het Uitv. besl. LB 1965 wordt beschouwd als ingekomen werknemer, eindigt. Kan na afloop van de periode waarop de bewijsregel van toepassing is de partiële buitenlandse belastingplicht doorlopen?
Antwoord: Nee, in zo’n geval is
hoofdstuk 3 van het Uitv. besl. LB 1965 niet meer van toepassing.
6. Welke gevolgen zijn er verbonden aan het gebruik maken van het keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen door een inwoner van Nederland (artikel 2.6 Wet IB 2001)?
Antwoord: Ingevolge artikel 11 Uitv. besl. IB 2001 kan de in Nederland wonende
ingekomen werknemer die gebruik maakt van het keuzerecht voor in het buitenland
geworven deskundigen, ervoor kiezen in de boxen 2 en 3 in de heffing te worden
betrokken volgens de regels die gelden voor buitenlands belastingplichtigen.
Voor het overige, bijvoorbeeld voor de partnerregeling, toerekeningen
inkomensbestanddelen etc. wordt de in Nederland wonende ingekomen werknemer als
binnenlands belastingplichtige in de heffing betrokken.
Een inwoner van Nederland die gebruik maakt van het keuzerecht voor in het
buitenland geworven deskundigen houdt door de keuze dus niet op binnenlands
belastingplichtige te zijn.
7. Worden naar Nederland uitgezonden Amerikaans deskundigen die kiezen voor partiële buitenlandse belastingplicht, voor de toepassing van artikel 4, eerste lid van het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag (Stb. 1993, 612) als inwoner van de VS aangemerkt?
Antwoord: Ja. Iemand die kiest voor partiële buitenlandse belastingplicht wordt
niet voor zijn volledige wereldinkomen in de Nederlandse belastingheffing
betrokken en wordt derhalve voor de toepassing van het Nederlands-Amerikaanse
belastingverdrag niet als inwoner van Nederland aangemerkt. Dit standpunt sluit
aan bij het standpunt dat werd ingenomen voor de toepassing van de oude
35%-vergoedingsregeling (zie de bijlage bij de brief van 20 juli 1994,
IFZ94/769, VN 1994/2367, punt 2).
8. Moet schriftelijk zijn vastgelegd dat werkgever en werknemer een vergoeding als bedoeld in de bewijsregel zijn overeengekomen?
Antwoord: In de toelichting van artikel 9 van het Uitv. besl. LB 1965 is
aangegeven dat de vergoeding afzonderlijk van het loon moet zijn
overeengekomen. Dit kan schriftelijk zijn vastgelegd (wat gebruikelijk is bij
arbeidsvoorwaarden) maar kan natuurlijk ook op andere manier worden aangetoond.
Zie ook bij vraag 14.
9. Moet de vergoeding als bedoeld in de bewijsregel op het moment van het gezamenlijk verzoek bedoeld in artikel 9, eerste lid, Uitv. besl. LB 1965 worden overeengekomen?
Antwoord: Nee, dit kan ook later gebeuren, bijvoorbeeld na ontvangst van de
beschikking. Het toekennen van een vergoeding als bedoeld in de bewijsregel kan
onder omstandigheden met terugwerkende kracht geschieden. Zie de vragen 4 en
14.
10. Volgens artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, Wet LB, moet sprake zijn van een tijdelijk verblijf. Geldt de 30%-regeling voor ingekomen werknemers, ook voor personen die aan alle voorwaarden voldoen maar zich hier permanent vestigen?
Antwoord: Ja, voor de periode waarin hoofdstuk 3 van het Uitv. besl. LB 1965 op
een werknemer van toepassing is, wordt deze geacht tijdelijk hier te lande te
verblijven.
11. Is het mogelijk om het loon te splitsen in een deel loon en een deel vrije vergoeding voor extraterritoriale kosten?
Antwoord: Nee, alleen een administratieve splitsing van het loon is niet
mogelijk. Een splitsing, in die zin dat het loon arbeidsrechtelijk wordt
verlaagd, onder gelijktijdige toekenning van een vrije vergoeding, is wel
mogelijk (vgl. het besluit inzake Wijzigingen beloningen, van 21 december
2000, nr. CPP2000/2942M). De vrije vergoeding moet worden toegekend naast het
overeengekomen salaris.
12. Dient de vrije vergoeding bij iedere salarisbetaling te worden uitbetaald, of kan binnen het kalenderjaar of voor de afsluiting van de loonboekhouding een zogenoemde extra salarisrun worden gedraaid om exact te kunnen bepalen hoe hoog de onbelaste vergoeding maximaal kan zijn?
Antwoord: Het is mogelijk binnen het kalenderjaar exact de maximale hoogte van
de vrije vergoeding te bepalen. Deze vergoeding kan vervolgens als vrije
vergoeding worden uitbetaald. Vindt de betaling na het einde van het
desbetreffende kalenderjaar plaats, dan kan de vergoeding als vrije vergoeding
worden uitbetaald indien hierop reeds aan het eind van het kalenderjaar een
onvoorwaardelijk recht bestond.
13. Met ingang van 1 januari 2001 kan het loon niet meer administratief gesplitst worden in een deel dat loon is en een deel dat vergoeding is (vgl. de toelichting op artikel 9, eerste lid Uitv. besl. LB 1965). Hoe moet worden omgegaan met gevallen waarin de gevolgen van deze wijziging niet tijdig zijn onderkend?
Antwoord: Gezien de gehanteerde werkwijze voor 1 januari 2001 acht ik het
redelijk om op dit punt een overgangstermijn te geven om bestaande situaties
aan te passen aan de nieuwe regeling. Om een soepele overgang mogelijk te maken
keur ik in dit verband goed dat de bewijsregel tot 1 juli 2002 mag worden
toegepast indien sprake is van een administratieve splitsing van het loon
overeenkomstig de regeling tot 1 januari 2001. Deze goedkeuring werkt
echter niet verder terug dan de beschikking bedoeld in artikel 9h, eerste lid,
Uitv. besl. LB 1965.
14. Op welke wijze kan een beloning worden vastgesteld of gewijzigd, zodat naast het loon een extraterritoriale vergoeding wordt genoten?
Antwoord: Een en ander dient arbeidsrechtelijk
te zijn overeengekomen. Dit kan bijvoorbeeld door de volgende tekst in de
arbeidsovereenkomst op te nemen:
a. Indien en voorzover de werknemer op grond van artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 een vrije vergoeding van extraterritoriale kosten kan ontvangen, wordt het met de werknemer overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking op zodanige wijze arbeidsrechtelijk verminderd dat 100/70 van het aldus nader overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking gelijk is aan het oorspronkelijk overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
b. Indien en voorzover onderdeel a toepassing vindt, ontvangt de werknemer van de werkgever een vergoeding van extraterritoriale kosten, gelijk aan 30/70 van het aldus nader overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
c. De werknemer is zich bewust van het feit dat een aanpassing van de overeengekomen beloning conform onderdeel a, gelet op de terzake geldende regelingen gevolgen kan hebben voor alle aan het loon gerelateerde beloningen en uitkeringen zoals het pensioen en sociale verzekeringsuitkeringen.
Toelichting: Het onder a
bedoelde “overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking” betreft al
het feitelijk te betalen of te verstrekken loon uit tegenwoordige dienstbetrekking,
als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende
bepalingen.
Zie in dit verband ook het
antwoord op vraag 22.
15. Is het mogelijk (mede) pensioen op te bouwen over de extraterritoriale vergoeding?
Antwoord: Nee, het is niet mogelijk een
pensioen op te bouwen over de extraterritoriale vergoeding, net zo min als dit
mogelijk is over andere vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen.
Onder de werking van het besluit BNB1995/243 was pensioenopbouw over de
35%-vergoeding wel mogelijk. Voor bestaande gevallen acht ik het hierom
redelijk een overgangstermijn in acht te nemen. Ik keur goed dat de
pensioentoezegging ongewijzigd kan blijven voor de resterende duur van
beschikkingen (en een eventuele verlenging daarvan) met een ingangsdatum voor
1 juli 2002.
In andere situaties kunnen de gevolgen van de vervanging van de 35%-regeling
door de 30%-regeling voor de pensioengrondslag worden beperkt door een of meer
van de volgende mogelijkheden te benutten:
- Volledige benutting van de ruimte die het Witteveenkader biedt (w.o. percentage, franchise en grondslag);
- Benutting
van de ruimte die artikel 19 Wet LB biedt;
Artikel 19 van de Wet LB biedt de ruimte om pensioen op te bouwen over het
gebruikelijke loon, indien het feitelijke loon lager is dan gebruikelijk, maar
hier niet meer dan 30% van afwijkt. Deze 30%-marge is de invulling van de in
deze bepaling gehanteerde term "aanzienlijk lager". Bij de bepaling
van het gebruikelijke loon is van belang wat in dezelfde functie wordt betaald
aan werknemers die niet onder de 30%-regeling vallen. Desgewenst mag ook worden
getoetst aan het loon dat in de periode voorafgaand aan de uitzending werd
genoten. Indien het feitelijke loon - exclusief de vergoeding voor
extraterratoriale kosten - 70% of meer bedraagt van het op deze wijze bepaalde
gebruikelijke loon kan pensioenopbouw plaatsvinden over het gebruikelijke loon.
Indien het verschil tussen het gebruikelijke loon en het feitelijke loon groter
is dan 30% kan geen gebruik worden gemaakt van deze mogelijkheid.
- Het benutten van de in het besluit van 22 mei 1996, nr. DB96/841M, opgenomen mogelijkheid om gedurende uitzendingen van maximaal 5 jaar ongewijzigd pensioen op te bouwen volgens de buitenlandse pensioenregeling waaraan ook voor de uitzending werd deelgenomen. Dit besluit is overigens thans in heroverweging.
16. Kan een afzonderlijke vrije vergoeding worden gegeven voor dubbele huisvestingskosten terwijl al maximaal gebruik wordt gemaakt van de 30%-regeling?
Antwoord: Nee. Zoals in de Nota van
toelichting op het wijzigingsbesluit van 20 december 2000 tot aanpassing
van enige uitvoeringsbesluiten (Stb. 2000, 640) is uiteengezet hebben de
kosten van dubbele huisvesting een overwegend extraterritoriaal karakter, en
worden om die reden onder de meest specifieke post extraterritoriale kosten
geschaard. De desbetreffende kosten vallen dus binnen de bewijsregel van 30%.
Dat wil nog niet zeggen dat zo’n vergoeding belast is. Ingeval immers
aannemelijk wordt gemaakt dat de totale extraterritoriale kosten meer belopen
dan 30%, zodat geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de bewijsregel, kunnen
de werkelijk gemaakte kosten van dubbele huisvesting wel worden vergoed
(overigens zonder een beperking tot een termijn van twee jaar).
17. In de toelichting bij het wijzigingsbesluit waarbij de nieuwe 30 %-regeling in het Uitv. besl LB 1965 is opgenomen worden niet alleen kosten van dubbele huisvesting als extraterritoriale kosten aangemerkt, maar ook de eventuele extra kosten van (eerste) huisvesting. Hoe moet hier in de praktijk mee worden omgegaan?
Antwoord: Voor de vraag in hoeverre sprake is
van extra kosten van huisvesting ligt het naar mijn oordeel voor de hand om de
situatie van de extraterritoriale werknemer te vergelijken met hetgeen in
Nederland en - bij ingekomen werknemers - in het land van herkomst gebruikelijk
is. Uit oogpunt van doelmatigheid ontmoet het evenwel geen bezwaar om zonder
nader bewijs ervan uit te gaan dat voor een extraterritoriale werknemer
huisvestingsuitgaven tot een bedrag (hierna: het besparingsbedrag) ter grootte
van 18% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (exclusief een
eventuele bijtelling voor huisvesting) gebruikelijk zijn. Dit betekent dat bij
verstrekte huisvesting of bij vergoede huisvesting tenminste het
besparingsbedrag voor rekening van de werknemer moet komen, hetzij in de vorm
van een eigen bijdrage, hetzij door het besparingsbedrag als loon in aanmerking
te nemen (of een combinatie hiervan ter grootte van het besparingsbedrag). Voor
een eventueel restant is sprake van extraterritoriale kosten. Hierbij moet wel
worden bedacht dat indien gebruik gemaakt wordt van de bewijsregel geen ruimte
bestaat om daarnaast een (gedeeltelijk) vrije vergoeding of verstrekking te
geven voor deze kosten van huisvesting.
18. Werknemers verrichten werk over de grens en verblijven daartoe enkele maanden op een vaste plaats. In verband met het verblijf in het buitenland maken de werknemers extra kosten. De werknemers komen niet in aanmerking voor de bewijsregel. Kan de werkgever een vrije vergoeding geven voor de extra kosten die de werknemers hebben?
Antwoord: Ja, dat kan. De werkgever
kan een vrije vergoeding geven voor de extra kosten van het tijdelijk verblijf
in het buitenland (vgl. artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, Wet LB). Het gaat daarbij
om de werkelijke, in redelijkheid gemaakte, extra kosten. De werkgever moet de
extra kosten van de werknemers aannemelijk kunnen maken.
19. Een ingekomen werknemer is een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de Wet LB, met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Is voor een naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer vereist dat deze uit een ander land is gezonden?
Antwoord: Ja, de regeling geldt
niet voor werknemers die uit Nederland naar een inhoudingsplichtige worden
gezonden.
20. Geldt de 30%-regeling voor ingekomen werknemers ook ten aanzien van een in België wonende bestuurder van een in Nederland gevestigde vennootschap?
Antwoord: In artikel 16 van het verdrag tussen
Nederland en België staat dat tantièmes, presentiegelden en andere beloningen
verkregen door een inwoner van België die commissaris of bestuurder is van een
naamloze vennootschap die inwoner is van Nederland in Nederland mogen worden
belast. De grensarbeidersregeling is op deze personen niet van toepassing. Als
de bestuurder aan de overige voorwaarden voldoet kan deze voor de 30%-regeling
in aanmerking komen.
21. Wanneer is bij ingekomen werknemers sprake van een internationale school of een internationale afdeling van een niet-internationale school?
Antwoord: Van een internationale school of een
internationale afdeling van een niet-internationale school is sprake als aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan:
1. De opleiding is gebaseerd op een buitenlands stelsel;
2. De school of afdeling is in principe alleen toegankelijk voor kinderen van buiten het land van herkomst tewerkgestelde werknemers.
22. In artikel 9, eerste lid Uitv. besl. LB 1965 staat dat de grondslag is de som van het regelmatig genoten loon ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst voorzover de ingekomen of uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting, en de vergoeding voor extraterritoriale kosten. Wat wordt verstaan onder "regelmatig genoten loon"?
Antwoord: Het begrip "regelmatig genoten
loon" wordt uitgelegd overeenkomstig dit begrip in artikel 10b, tweede lid
Uitv. besl. LB 1965 (pensioengevend loon). Tot dit regelmatig genoten loon
behoren niet incidentele (bijzondere) beloningen, zoals bonussen, optierechten,
tekengelden, bindingspremies e.d. Een in de arbeidsovereenkomst gegarandeerd
vast (deel van een) tantième of bonus, behoort bijvoorbeeld wel tot het
regelmatig genoten loon. In de praktijk is gebleken dat de toepassing van dit
begrip een obstakel kan vormen voor de flexibilisering van beloningen. Met name
in die situaties en ook gelet op de gemiddelde duur van uitzendingen, vormt het
"regelmatig genoten loon" bij nader inzien een minder goede grondslag
dan het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. In verband hiermee ben ik
voornemens om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001, in artikel 9,
eerste lid, onderdeel a, Uitv. besl. LB 1965 “regelmatig genoten
loon” te vervangen door “loon uit tegenwoordige dienstbetrekking”.
Vooruitlopend op deze wijziging keur ik met terugwerkende kracht tot
1 januari 2001 goed dat bij de toepassing van de bewijsregel uitgegaan
wordt van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, in plaats van het
regelmatig genoten loon.
Hierbij merk ik overigens op dat bijvoorbeeld pensioentermijnen niet behoren
tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
23. Blijft de beoordeling van het schaarste- en specifiek deskundigheidsvereiste hetzelfde als onder de oude 35%-vergoedingsregeling?
Antwoord: Ja, dit blijft hetzelfde.
24. Bij de beoordeling van het schaarste- en specifieke deskundigheidsvereiste wordt in onderlinge samenhang rekening gehouden met een drietal factoren. Eén van deze factoren is de voor de functie relevante ervaring van de werknemer (artikel 9a, eerste lid, onderdeel b Uitv. besl. LB 1965). Is van belang gedurende welke periode de werknemer deze ervaring heeft opgedaan?
Antwoord: Het hangt af van de
concrete functie in hoeverre ervaring vereist is. Als ervaring vereist is en
een werknemer meer dan 2,5 jaar heeft gewerkt in een vergelijkbare functie, kan
evenwel steeds worden aangenomen dat de werknemer de voor de functie relevante
ervaring heeft opgedaan.
25. De looptijd van de bewijsregel voor ingekomen werknemers bedraagt maximaal 10 jaar. Blijft de werknemer daarna tewerkgesteld door een inhoudingsplichtige, kan dan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid de in redelijkheid gemaakte exta kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst vrij te vergoeden?
Antwoord: Op grond van artikel 15a,
eerste lid, onderdeel k, Wet LB behoren tot de vrije
vergoedingen de vergoedingen van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het
land van herkomst. In hoeverre voor een werknemer sprake is van tijdelijk
verblijf, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Het is
echter in het algemeen niet aannemelijk dat na verloop van 10 jaar nog sprake
is van tijdelijk verblijf of van extra kosten die met een dergelijk verblijf
verband houden. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 10.
26. Gelden er specifieke regels voor personen die in verband met een functieroulatie zijn uitgezonden naar Nederland?
Antwoord: Een werknemer van het middenkader of
hoger kader van een internationaal concern met ten minste twee en half jaar
ervaring in dat concern die in verband met functieroulatie wordt uitgezonden
naar Nederland, wordt geacht specifieke deskundigheid te bezitten die op de
Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is.
27. Indien sprake is van een in artikel 9c Uitv. besl. LB 1965 genoemde wijziging van inhoudingsplichtige, dient dan een nieuw verzoek te worden gedaan?
Antwoord: Ja. Indien de ingekomen werknemer
tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt, blijft op
gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de
bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing, mits de periode
tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de
aanvang van de tewerkstelling door de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is
dan drie maanden. Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe
inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort
te worden aangemerkt als ingekomen werknemer.
28. Dient voor de toepassing van artikel 9c Uitv. besl. LB 1965, sprake te zijn van onvrijwillig ontslag?
Antwoord: Neen.
29. In artikel 9e, eerste lid Uitv. besl. LB 1965 staat dat indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige, in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven, de looptijd wordt verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf. Is hiermee een inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de oude 35%-vergoedingsregeling?
Antwoord: Ja, de regeling is op dit
punt verruimd. Ingekomen werknemers die niet voor de 35%-vergoedingsregeling in
aanmerking kwamen omdat ze door een inhoudingsplichtige buiten Nederland waren
tewerkgesteld kunnen alsnog aangemerkt worden als ingekomen werknemer, als aan
de overige voorwaarden is voldaan. De tijd dat de werknemer in Nederland heeft
verbleven of is tewerkgesteld, wordt in mindering gebracht op de looptijd.
30. Is een onvolledig verzoek ook een verzoek?
Antwoord: Ja, dit wordt als een pro forma
verzoek beschouwd. Een aanvraag voor de 30%-regeling die is getekend door
werkgever en werknemer is voldoende om aangemerkt te kunnen worden als een
verzoek.
31. Ingevolge artikel 9h Uitv. besl. LB 1965 kan een beschikking worden afgegeven die terugwerkt tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer. Hoe moet de bewijsregel worden toegepast tot het moment van afgifte van de beschikking?
Antwoord: Om praktische redenen keur ik goed
dat de inhoudingsplichtige vooruitlopende op de beschikking de vrije vergoeding
voor de extraterritoriale kosten toekent overeenkomstig de bewijsregel. Zou
achteraf blijken dat de beschikking niet wordt toegekend, dan behoeft geen
belastingheffing plaats te vinden voorzover alsnog wordt aangetoond dat het een
vrije vergoeding van extraterritoriale kosten betreft of voorzover de
vergoeding onverwijld wordt terugbetaald. Indien (het belaste deel van) de
vergoeding niet wordt terugbetaald dient de inhoudingsplichtige alsnog de daar
over verschuldigde loonheffing - eventueel gebruteerd - af te dragen op de
eerstvolgende aangifte.
32. Geldt de nieuwe 30%-regeling voor ingekomen werknemers ook ten aanzien van werknemers die op 31 december 2000 gebruik maakten van de oude 35%-vergoedingsregeling?
Antwoord: Ja. Voor personen bij wie over het
jaar 2000 belasting is geheven met toepassing van de oude
35%-vergoedingsregeling bestaat geen overgangsregeling. Zij kunnen alleen
gebruik maken van de 30%-regeling als zij aan de nieuwe voorwaarden voldoen. Op
grond van artikel 12c Uitv. besl. LB 1965 hoeft in een dergelijk geval geen
verzoek te worden gedaan voor de aansluitende toepassing van de bewijsregel per
1 januari 2001. In dat geval:
- wordt de maximale looptijd van de bewijsregel (10 jaar) verminderd met de periode gedurende welke de 35%-vergoedingsregeling voor de werknemer is toegepast;
- geldt de datum van 1 januari 2001 als tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld;
- blijven toegepaste kortingen op de looptijd van toepassing; en
- wordt op dat moment geacht te zijn voldaan aan de voorwaarde van specifieke deskundigheid en schaarste op de arbeidsmarkt.
33. Blijft een voor 1 januari 2001 toegepaste korting, in verband met eerdere perioden van tewerkstelling door de binnenlandse werkgever buiten Nederland, ook van toepassing voor de regeling met ingang van 1 januari 2001?
Antwoord: Ja. In artikel 12c Uitv. besl. LB
1965is
expliciet opgenomen dat toegepaste kortingen op de looptijd van toepassing
blijven. De resterende looptijd na 1 januari 2001 wordt derhalve niet
verlengd.