Loonbelasting. Diverse vragen en antwoorden

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 28 maart 2003, CPP2002/1367M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding

Dit besluit bevat een aantal vragen en antwoorden op het gebied van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die reeds eerder zijn gepubliceerd in het besluit van 31 juli 2000, nr. CPP 2000/1223M. De vragen en antwoorden zijn waar nodig geactualiseerd en worden hierbij opnieuw uitgebracht. In verband hiermee is het besluit van 31 juli 2000, nr. CPP 2000/1223M, ingetrokken.

 

De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

1.    Definitie van artiest

Vraag

Een acteur wordt ingehuurd om een rol te spelen in een praktijksimulatie in het kader van een opleiding. Wordt er een artistieke prestatie geleverd voor een publiek?

Antwoord

Ja, de acteur levert in zo'n situatie een artistieke prestatie voor een publiek.

 

In het besluit van 5 januari 1998, nr. VB97/3048 (V-N 1998/6.19) is het standpunt ingenomen dat acteurs die een rollenspel spelen in het kader van een opleiding, een acteerprestatie leveren. Dit besluit betreft de omzetbelasting en is derhalve niet vanzelfsprekend van toepassing voor de loonbelasting. Gelet evenwel op het gelijkluidend criterium "artistieke prestatie" geldt het standpunt ook voor de loonbelasting. De artiest treedt op voor publiek indien hij als zodanig optreedt voor één of meer mensen. Het begrip publiek moet worden uitgelegd als toehoorders/toeschouwers. Het maakt niet uit of het optreden in het kader van onderwijs of anderszins plaatsvindt.

2.    Vergoeding kosten rijbewijs E

Vraag

Een werknemer volgt in opdracht en voor rekening van zijn werkgever een cursus voor het rijbewijs E. Behoort een dergelijke vergoeding of verstrekking doorgaans tot het loon van de werknemer?

Antwoord

Ja, zowel de verstrekking als de vergoeding van de kosten voor het behalen van het rijbewijs E behoort voor de loonheffing in beginsel voor de waarde in het economische verkeer, respectievelijk voor de nominale waarde tot het loon voor de heffing van de loonbelasting.

 

Er kunnen zich feiten en omstandigheden voordoen waardoor de vergoeding van het rijbewijs E naar algemene maatschappelijke opvattingen niet (geheel) als beloningsvoordeel wordt ervaren. De vergoeding van het rijbewijs E is dan een vrije vergoeding voorzover de vergoeding geacht kan worden te strekken tot bestrijding van de kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Bij wijze van voorbeeld kan gedacht worden aan de werknemer die andere werkzaamheden krijgt waarbij het bezit van een rijbewijs E vereist is. De werkgever is bereid de les- en examengelden te vergoeden. In zo’n geval behoort de vergoeding tot de vrije vergoedingen voorzover de kosten uitgaan boven de uitgaven van personen die overigens, wat betreft inkomen, vermogen, leeftijd, maatschappelijke positie en gezinssituatie, in vergelijkbare omstandigheden verkeren.

3.    Schoolgeld internationale school

Vraag

Aangezien een Nederlandse werknemer regelmatig in het buitenland moet werken en wonen, vergoedt de werkgever het schoolgeld voor een internationale school. De werkgever vergoedt deze kosten ook als de werknemer in Nederland verblijft en de kinderen in Nederland naar de internationale school gaan.

Kan het schoolgeld onbelast worden vergoed?

Zo nee, is er strijd met het gelijkheidsbeginsel gezien de 30%-regeling?

Antwoord

Nee, er is geen of onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking om schoolgeld onbelast te kunnen vergoeden.

 

Vergoedingen van schoolgelden zijn geen vergoedingen die geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Noch zijn het vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Er is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De buitenlander die tijdelijk in Nederland komt wonen en werken, verkeert in een andere situatie dan de Nederlander die buiten Nederland heeft verbleven en die bij terugkomst niet in aanmerking komt voor een vergoeding voor extraterritoriale kosten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. De buitenlander is niet in Nederland geworteld en wordt gedwongen tot het maken van hoge kosten. Voor de terugkomende Nederlander ligt dit anders.

4.    Verstrekken van maaltijden

Vraag

Een luchtvaartmaatschappij verstrekt aan haar cabine- en cockpitpersoneel maaltijden aan boord.

Kunnen maaltijden in zulke situaties belastingvrij worden verstrekt?

Zo nee, wat is het toe te passen normbedrag?

Antwoord

Ja, gelet op de toelichting op artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB) is van een maaltijdverstrekking met een zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang sprake als een luchtvaartmaatschappij maaltijden verstrekt aan het cabine- en cockpitpersoneel aan boord van een vliegtuig. Dergelijke maaltijden kunnen belastingvrij worden verstrekt mits het aantal verstrekte maaltijden per jaar maximaal 80 bedraagt.

 

Met ingang van de 81e maaltijd moet de maaltijd tegen het normbedrag van artikel 32 van de URLB in de belastingheffing worden betrokken. Zowel voor een ontbijt als voor een koffiemaaltijd is dit bedrag voor het jaar 2003 € 1,50. Voor een warme maaltijd is het bedrag € 3,00. De maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, worden in chronologische volgorde in aanmerking genomen, zonder onderscheid naar de soort (ontbijt, koffiemaaltijd of warme maaltijd), totdat het aantal van 80 is bereikt. Voor de daarop volgende maaltijden waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is geldt het in artikel 32 URLB voor de desbetreffende maaltijd opgenomen normbedrag. Het aantal van 80 maaltijden hoeft niet naar tijdsgelang te worden verminderd ingeval de werknemer niet het gehele jaar in dienstbetrekking is geweest.

5.    Waardering vakantiebonnen

Vraag

Artikel 110 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bevat een overgangsregeling voor bepaalde vakantiebonnen. Bouwbedrijven willen in 2003 meer vakantiebonnen verstrekken dan in de CAO is geregeld. Geldt de overgangsregeling ook voor deze extra vakantiebonnen?

Antwoord

Nee, de overgangsregeling is niet van toepassing omdat de extra vakantiebonnen niet op grond van de CAO worden verstrekt.