Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen
Besluit van 24 april 2003, nr. CPP2003/642M
De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
Aan mij is in verband met het nieuwe Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 juni 2001 een vraag voorgelegd over de termijn van indiening van een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling (artikel 9h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965) door Belgische grensarbeiders. In verband daarmee deel ik het volgende mee.
De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.
Vanaf 1 januari 2003 is het nieuwe Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 juni 2001 (Trb. 2001, 136) van toepassing. In dit verdrag is de grensarbeidersregeling van art. 15, paragraaf 3, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 19 oktober 1970 (Trb. 1970, 192) niet voortgezet. Dit betekent dat voor inwoners van België die tot en met 31 december 2002 onder deze regeling vielen (Belgische grensarbeiders), de heffingsbevoegdheid over hun salaris uit een in Nederland verrichte dienstbetrekking met ingang van 1 januari 2003 is overgegaan van België naar Nederland. Als gevolg daarvan is er voor Belgische grensarbeiders alsnog een belang ontstaan om in voorkomend geval te worden aangemerkt als ingekomen werknemer in de zin van artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet op de loonbelasting 1964 jo. artikel 8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Voor 1 januari 2003 was dat belang veelal afwezig omdat: (i) een vergoeding voor extraterritoriale kosten en schoolgelden volgens artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet op de loonbelasting 1964 (respectievelijk een belastingvrije vergoeding volgens de onderdelen 3.1 en 3.2 van het Besluit van 29 mei 1995, nr. DB95/119M) onder de Belgische personenbelasting belastbaar is, en (ii) een dergelijke vergoeding voor de heffing van Nederlandse premie volksverzekeringen in de praktijk niet leidde tot een premie-inkomen dat lager is dan het premiemaximum.
De parlementaire behandeling van het nieuwe belastingverdrag van 5 juni 2001 heeft zowel in Nederland als België zodanige tijd gevergd dat eerst eind december 2002 is komen vast te staan dat dit verdrag met ingang van 1 januari 2003 toepassing zou gaan vinden. Gebleken is dat om die reden relatief veel Belgische grensarbeiders voor wie de regeling van artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet op de loonbelasting 1964 (30%-regeling) van belang is, hebben nagelaten tijdig een verzoek in te dienen om de regeling met ingang van 1 januari 2003 toe te kunnen passen (tijdig wil in dit verband zeggen vóór 1 januari 2003 of, bij een tewerkstelling in Nederland vanaf 1 september 2002, binnen vier maanden na aanvang van de werkzaamheden). Volgens artikel 9h, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 vindt de regeling dan geen toepassing met ingang van 1 januari 2003 maar eerst met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin het verzoek is gedaan.
Op voorwaarde dat Belgische grensarbeiders bij wie de belastingheffing over hun salaris door het nieuwe Nederlands-Belgische belastingverdrag van 5 juni 2001 met ingang van 1 januari 2003 is overgegaan van België naar Nederland alsnog vóór 1 juli 2003 bij de Belastingdienst/Limburg/ kantoor Buitenland een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling indienen, keur ik goed dat de daarop af te geven beschikking terugwerkt tot en met 1 januari 2003. Deze goedkeuring laat de overige voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling onverlet.