Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten
Dit besluit beschrijft het fiscale beleid voor ten onrechte ontvangen looninkomsten. Verder beschrijft dit besluit het fiscale beleid voor in eerste instantie terecht ontvangen looninkomsten die later op grond van een afdwingbare verplichting terugbetaald moeten worden, omdat zij met terugwerkende kracht vervangen worden door andere looninkomsten. Dit besluit vervangt het besluit van 5 juli 2001, nr. CPP2001/599M.
In het besluit van 5 juli 2001, nr.
CPP2001/599M werd het fiscale beleid beschreven voor ten onrechte ontvangen
looninkomsten. Die inkomsten konden onder voorwaarden buiten de heffing van de
inkomstenbelasting gelaten worden. Dat beleid is ongewijzigd overgenomen in de
onderdelen 2 en 3 van dit besluit.
De situatie kan zich ook voordoen dat in eerste instantie terecht ontvangen
looninkomsten terugbetaald moeten worden, omdat zij met terugwerkende kracht
vervangen worden door andere looninkomsten. Als de terugbetaling plaatsvindt in
een later kalenderjaar dan het jaar waarin de vervangende looninkomsten zijn
ontvangen, kan een belasting- en/of premienadeel (hierna: belastingnadeel)
optreden door de progressie in het tarief van de inkomstenbelasting. In
onderdeel 4 van dit besluit is een goedkeuring opgenomen dat in zo'n situatie
de terugbetaling (onder voorwaarden) in aanmerking mag worden genomen in het
kalenderjaar waarin de vervangende looninkomsten zijn ontvangen.
Ten onrechte ontvangen looninkomsten worden geacht niet te zijn genoten als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet IB 2001 als belastingplichtige er binnen redelijke termijn blijk van heeft gegeven dat hij de ten onrechte ontvangen looninkomsten niet wil behouden (zie bijvoorbeeld het arrest HR 21 december 1988, BNB1989/120*). In dat geval is er dus geen sprake van looninkomsten als bedoeld in artikel 3.80 Wet IB 2001.
Als
belastingplichtige er niet binnen redelijke termijn blijk van heeft gegeven dat
hij de ten onrechte ontvangen looninkomsten niet wil behouden, zijn die
looninkomsten belast op de voet van de artikelen 3.80 en verder van de Wet IB
2001. Aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval moet vervolgens
worden beoordeeld of de feitelijke terugbetaling van de ten onrechte ontvangen
looninkomsten kan kwalificeren als negatieve inkomsten.
In gevallen waarin de feitelijke terugbetaling plaatsvindt in een ander jaar
dan het jaar waarin de looninkomsten zijn genoten, kan door de progressie in
het tarief van de inkomstenbelasting een belastingnadeel optreden ten opzichte
van de situatie waarin de belastingplichtige de looninkomsten in het geheel
niet zou hebben genoten.
In situaties waarin de ten onrechte ontvangen looninkomsten niet te kwader
trouw zijn verkregen acht ik het niet gewenst dat dit belastingnadeel ontstaat.
Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 63 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule).
Ik keur goed dat de inspecteur er vanuit gaat dat de ten onrechte ontvangen looninkomsten geacht worden niet te zijn genoten in de zin van artikel 2.3 van de Wet IB 2001 als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. belastingplichtige heeft de looninkomsten niet te kwader trouw verkregen, én
b. belastingplichtige toont ten genoegen van de inspecteur aan dat de looninkomsten volledig zijn terugbetaald, én
c. belastingplichtige past ter zake van de
terugbetaling van de looninkomsten geen enkele aftrek op het loon c.q. inkomen
toe, dan wel - als de aftrek al is toegepast - verklaart belastingplichtige
zich akkoord met het terugnemen van de aftrek.
In bijzondere situaties kan het voorkomen dat de ten onrechte ontvangen
looninkomsten gedeeltelijk worden teruggevorderd. In dat geval kan het
voorafgaande worden toegepast op het deel dat wordt teruggevorderd.
De situatie kan zich voordoen dat in eerste instantie terecht ontvangen looninkomsten terugbetaald moeten worden, omdat zij met terugwerkende kracht vervangen worden door andere looninkomsten. Dat kan bijvoorbeeld als een genoten uitkering volgens de Wet werk en bijstand met terugwerkende kracht wordt vervangen door een Ziektewetuitkering. In gevallen waarin de feitelijke terugbetaling plaatsvindt in een later kalenderjaar dan het jaar waarin de vervangende looninkomsten zijn genoten, kan een belastingnadeel optreden door de progressie in het tarief van de inkomstenbelasting. In het jaar waarin de vervangende looninkomsten worden genoten, zal het inkomen immers hoger zijn. In het jaar waarin de terugbetaling plaatsvindt, zal het inkomen lager zijn. Deze wisseling in inkomen kan ook gevolgen hebben voor inkomensafhankelijke regelingen zoals de diverse toeslagen.
In situaties waarin (in eerste instantie) terecht ontvangen looninkomsten op
grond van een afdwingbare verplichting moeten worden terugbetaald en met
terugwerkende kracht vervangen zijn door andere looninkomsten acht ik het niet
gewenst dat een belastingnadeel en mogelijke nadelige gevolgen voor andere
inkomensafhankelijke regelingen ontstaan. Daarom keur ik het volgende goed met
toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de
hardheidsclausule).
Ik keur goed dat de terugbetaling van (in eerste instantie) terecht ontvangen looninkomsten, in afwijking van artikel 3.146 en 3.147 van de Wet IB 2001, als negatief loon in de zin van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 in aanmerking kan worden genomen in het jaar waarin de vervangende looninkomsten worden genoten.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
a. belastingplichtige heeft de looninkomsten niet te kwader trouw verkregen, én
b. belastingplichtige toont ten genoegen van de inspecteur aan dat de
looninkomsten volledig zijn terugbetaald, én
c. de terugbetaling van de looninkomsten vindt plaats binnen drie maanden na
afloop van het kalenderjaar waarin de vervangende looninkomsten zijn genoten,
of belastingplichtige heeft er binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar
waarin de vervangende looninkomsten zijn genoten blijk van gegeven dat hij de
looninkomsten niet wil behouden en heeft deze in dat kalenderjaar op een later
moment feitelijk terugbetaald, én
d. als de terugbetaling in een ander kalenderjaar als negatief loon in
aanmerking is genomen, verklaart belastingplichtige zich akkoord met het
terugnemen van deze aftrek.
Het besluit van 5 juli 2001, nr. CPP2001/599M, is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van dit besluit.
In afwijking hiervan treedt onderdeel 4 in werking met ingang van
1 januari 2009.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 5 augustus 2009.
De staatssecetaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.